De non-kandidaat

Nog één hobbel in Tsjechië en dan kan de Europese Unie zich een president aanmeten. Die titel is eigenlijk te veel eer voor de functionaris. Veel macht en personeel zal hem a priori niet worden gegund. Het gaat meer om een man of vrouw die aan het hoofd van de tafel zit en de besluitvorming stroomlijnt. Desondanks is de post uniek. Er zijn geen historische ervaringen die tot voorbeeld strekken. De eerste kan het aanzien van dit ambt dus kleuren. Zij het binnen de grenzen die de lidstaten, vooral de grote landen, bepalen.

Gelet op die beperkte speelruimte ligt het niet voor de hand om een politiek dier als ex-premier Blair te benoemen, die zijn wortels in een land heeft dat buiten de euro staat en volgend jaar mogelijk wordt geregeerd door eurosceptische Conservatieven. Vandaar de keuze voor een president uit een kleiner en plooibaarder land. Premier Balkenende is een van de kandidaten, al is hij geen kandidaat. De rookgordijnen die zijn opgetrokken doen denken aan een conclaaf in het Vaticaan. Maar zo gaat het nu eenmaal in de coulissen van Europa, waar de premier zich zichtbaar thuis voelt.

Zijn non-kandidatuur is serieus. Balkenende representeert een klein land dat bijna geen vijanden heeft in de EU. Hij is voor niemand een bedreiging. En dankzij het mede door premier Balkenende verloren euroreferendum van 2005 heeft Nederland ook niet meer zo’n federalistisch imago, wat de sceptici gerust kan stellen. Een politiek probleem is wel dat Commissievoorzitter Barroso uit dezelfde stroming komt. Twee christen-democraten aan de Europese top is wat veel. Maar dat bezwaar kleeft ook aan de Luxemburgse regeringsleider Juncker en aan Van Rompuy uit België. Ex-premier Verhofstadt heeft die handicap niet. Maar deze liberaal is weer té federalistisch. Afstrepend is Balkenende een logische kandidaat.

Over het algemeen verdient een vroegtijdig vertrek geen schoonheidsprijs. Zeker niet in het geval van Balkenende die, mocht hij gaan, geen enkel van zijn vier kabinetten tot een goed einde heeft gebracht. Maar de premier kan niet worden verweten dat hij er spoorslags vandoor gaat: hij is al zeven jaar regeringsleider. Die anciënniteit is een van de redenen om hem te polsen voor het presidentschap. En zijn vierde kabinet regeert nu al weer tweeënhalf jaar. Het electorale mandaat voor de premier is dus niet meer zo vers.

Weliswaar laat hij Nederland achter in een diepe recessie. Maar welke dossiers verdienen komende anderhalf jaar hoe dan ook zijn persoonlijke stempel? De nieuwe kaders voor de financiële sector en de overheidsuitgaven liggen primair op het bord van minister Bos (Financiën, PvdA) en de AOW op dat van Donner (Sociale Zaken, CDA). Behalve het Koninklijk Huis is eigenlijk alleen de toekomst van de militaire missie in Uruzgan een zaak van de premier. Dat is overzichtelijk.

Het eerste presidentschap van Europa is hem derhalve gegund. Hij is voor die functie in Brussel gekwalificeerd. En in Den Haag is hij niet onmisbaar. Ook zonder Balkenende kan Nederland heus wel geregeerd worden.