Column

We zullen doorgaan

There’s no business like showbusiness en the show must go on zijn van die achterhaalde clichés die in 2009 nogal oubollig overkomen. In mijn wereldje kunnen wat oudere acteurs na een paar glaasjes nog wel eens losbranden over heroïeke prestaties. „Ondanks het feit dat ik vijfenveertig graden koorts had en die ochtend mijn vrouw ter aarde had besteld, stond ik er toch maar. Ik moest, ik had geen keus. Anders ging zowel de producent als ikzelf failliet!” Dat soort geneuzel. Die verhalen gaan bij mij niet eens het ene oor in, laat staan het andere uit. Geen tijd voor dit soort muffe kroegpraatjes.

Er zijn ook leuke verhalen. Eind jaren tachtig speelde ik een seizoen met de acteur Onno Molenkamp in het door mijzelf geschreven Tunnel zonder Vluchtstrook en Onno, die toen officieel al gepensioneerd was, stond stijf van de goeie anekdotes. Korte verhalen uit zijn veertigjarige toneelcarrière. Verhalen met een kop, een staart en voldoende drama voor een stevige lach. Meestal glorieerden Ko van Dijk, Paul Steenbergen en andere grote acteurs in deze verhalen, maar het kon ook gaan over gietijzeren toneelmeesters of tragische recensenten. In de meeste verhalen speelde de buitenechtelijke liefde een hoofdrol. Avond aan avond vrat ik ze hongerig en gulzig en aan het eind van het seizoen was ik onverzadigd. Als ik geen andere plannen had, had ik jaren met Onno door willen spelen. Alleen al om de verhalen.

De anekdotes over Ramses waren prachtig, zij het dat ze stuk voor stuk nogal destructief waren. In elk verhaal was hij stomdronken. Of hij kwam twee uur te laat in een theater of hij liep in de pauze de Maastrichtse schouwburg uit en nam de trein naar Amsterdam of hij pakte een privévliegtuig naar Eelde, omdat hij anders te laat in de Groningse stadsschouwburg zou zijn en nam ook nog eens twaalf stomdronken stamgasten van het Amsterdamse café De Gelaghkamer mee of…

De meeste van deze verhalen kende ik al, omdat mijn toenmalige impresario Lou Veltmeijer een tournee met Ramses had georganiseerd en eigenlijk was de totale winst opgegaan aan drankrekeningen en taxiritten. Parijs heen en weer was geen uitzondering. Mooie verhalen, maar je hoorde tussen de regels door hoe de excentrieke artiest afbladderde en langzaam maar zeer zeker richting de goot kroop. Dat Ramses een uitzonderlijk wereldtalent was, dat zijn liedjes van onschatbare waarde zijn en dat de generatie van mijn kinderen ze uit hun jonge hoofden kennen, staat buiten kijf. Ramses is in de Nederlandse showbizz hors concours. Maar het is al wel een jaar of twintig klaar. Hartstikke klaar. Hij hangt ergens in de buurt van Artis en zit hele dagen buiten te roken en te drinken voor een pizzeria. Even verderop ligt het verpleeghuis waar hij tegenwoordig woont. Er komt geen stom woord meer uit. Of het zielig is? Ja, dat is hartstikke zielig.

En als iemand zielig is, dan moet je hem in zijn waarde laten. Dan moet je de herinneringen aan zijn gloriejaren koesteren en de man, die zich bijna niets meer kan herinneren, lekker laten mijmeren. Dan klopt het niet als je iemand nog naar een zaaltje zeult om een dvd met zijn werk in ontvangst te laten nemen. Dan wordt het aapje kijken. Zoiets is genant. En afgelopen week gebeurde dat met de aardige Ramses, die op zijn Hollands gezegd volledig ontoerekeningsvatbaar is. Hij werd een zaaltje in gesleept, daar stond wat verwrongen showbizzspul om hem heen, hij kreeg een microfoon in zijn handen en hij murmelde twee onverstaanbare woorden. Het was zielig, meer dan zielig zelfs. En als dat volk echt van Ramses hield, zoals ze stuk voor stuk voor een microfoon stonden te blaten, hadden ze hem dit niet aangedaan. Dan hadden ze respect getoond voor deze icoon en hem niet aan zijn doordrenkte pamper voor de camera’s gesleept. Soms bereik je een grens. Een overduidelijke grens. En dan kijk je elkaar aan en zeg je niks, maar keer je om. Uit respect voor de ooit zo grote Ramses Shaffy.