Verplicht te lezen

Zo een of twee keer per jaar laat ik de kop hangen. Ik kreeg vorige maand de studenten De Hollandsche Natie van Helmers niet aangeprezen. Ook al is er een splinternieuwe publieksvriendelijke editie van, ook al deed ik in het college mijn best om het lange gedicht in zijn spannende historische samenhang te plaatsen, slechts vijf van de honderddertig eerstejaars hadden het met plezier gelezen. Het leek mij niet genoeg en ik verzuchtte: de Natie gaat weer van de verplichte literatuurlijst af, waar ik het juist wegens de nieuwe editie opgezet had. Maar zei Jahweh niet dat al een paar rechtvaardigen genoeg zouden zijn om Sodom te redden? Inmiddels heb ik mezelf hervonden. Natuurlijk blijft de Natie op de lijst, ik moet alleen een didactische omkering toepassen. Ik liet de studenten voorafgaand aan het college het historische werk lezen en daarna legde ik uit wat ze eigenlijk erin hadden moeten opmerken. Fout. Ik moet eerst uitleggen, en daarna pas verlof geven om te lezen. De eerstejaars zijn net drie weken uit moeders huis, ze zijn Nederlands gaan studeren omdat ze Arnon Grunberg graag lezen. Moeten die zonder begeleiding een tekst aankunnen die qua taal en levensvisie zo ver van hen afstaat?

Bij de volgende verplichte tekst van de literatuurlijst heb ik het dus anders aangepakt. Leesaanwijzingen gegeven vooraf. Het ging nu om Het Huis Lauernesse, van Geertruida Bosboom-Toussaint. De eerste druk is van 1840 en telt 764 pagina’s. Ik heb uitgelegd waarom de negentiende-eeuwse roman zo uitvoerig is. Ik liet zien hoe de schrijver een kat-en-muisspel met de verteller speelt, hoe hij zichzelf en zijn verhaal af en toe in de maling neemt. Ik wees erop dat godsdienststrijd ook als een metafoor kan dienen voor andere vormen van strijd. Daarna gingen ze lezen – althans: ze probeerden er vrij voor te maken tussen alle studie- en privé-verplichtingen en bijbaantjes door. Eerst moesten ze nog aan het boek zien te komen. Want de Natie is gewoon te koop, maar van Het Huis Lauernesse, toch echt een canonboek in de Nederlandse literatuur, is nooit of te nimmer een verantwoorde editie met toelichtingen gemaakt. Het boek staat wel op de internet-DBNL, maar niemand leest 764 pagina’s van een beeldscherm.

Het was leuk om te zien hoe de eerstejaars uit alle hoeken en gaten van het land verschillende uitgaven bij elkaar gesprokkeld hadden. Er waren studenten die hem uit de kast van oma gehaald hadden. Slimmerds waren naar een kleine leeszaal in de provincie gegaan, want bij de grote universiteitsbibliotheek was hij al meteen uitgeleend. De meesten hadden Boekwinkeltjes of Antiqbook geplukt. Alle antiquariaten in de buurt van het P.C. Hoofthuis en de Oudemanhuispoort waren los. De goedkoopste had 1 euro gekost (Waterlooplein), de duurste 15 (Antiqbook). Ikzelf kon een eerste druk op tafel leggen, nog uit de bibliotheek van de politicus mr. H. van Riel, van wie overigens geen student ooit gehoord had.

Twintig studenten hadden er nu van genoten. Een enkeling vertelde dat ze het niet weg kon leggen en ’s nachts was blijven doorlezen. Een forse groei in de waardering, maar er moest nog meer gebeuren, vond ik. Ik heb me het vuur uit de keel gepraat om de roman aan het koken te krijgen. Om de studenten te laten zien dat de problematiek heel makkelijk naar deze tijd over te plaatsen is, heb ik een verhaal van Fatima en Achmed op Het Huis Lauernesse geplakt. Fatima geeft op het grote Suikerfeest bij haar ouders thuis gehoor aan het aanzoek van Achmed om met haar te trouwen. Achmed heeft geen havo afgemaakt, zoals Fatima. Hij hangt veel meer dan zij aan de Koran en wat de imam zegt. Er gloeit hartstocht en trots in hem, en daarvoor bezweek Fatima. Op het feest is ook een witte gast aanwezig. Fatima raakt met hem aan de praat. Paul is een zachte jongen, die al snel het vertrouwen van Fatima wint. Hij legt haar uit wat een huwelijk met de harde moslim voor consequenties heeft: de sluier altijd om, geen werk buitenshuis, kinderen baren, geen positie in de maatschappij. Langzaam maar zeker begint Fatima te aarzelen. Alles komt in een stroomversnelling als de zus van Achmed zich ermee bemoeit. Zij blijkt aan de kant van Paul te staan en valt haar eigen broer af, die de meisjes betrapt als ze de video Submission van Ayaan Hirsi Ali bekijken. Demonstratief doet Fatima haar hoofddoek af. Achmed mishandelt Fatima en verbreekt de verloving. Fatima is haar eer kwijt en dus moet ze van haar familie het huis uit. Van Achmeds zuster krijgt ze het adres van een opvanghuis. In een bioscoop komt Achmed Fatima weer tegen. Hij schiet totaal in de stress. Opgefokt als hij is trekt hij een mes, vrienden proberen hem dat afhandig te maken en in de schermutseling die daarop volgt, raakt hij zo gewond dat hij niet meer te redden valt. Fatima neemt afscheid van iedereen in Nederland en verhuist naar Duitsland, waar ze verder leeft als een aangepaste allochtoon, zonder hoofddoek.

Vervang nu de naam Fatima door Ottelijne en Achmed door Aernout. Zet daar waar naar de ‘Koran’ en ‘de imam’ verwezen wordt, ‘het katholieke geloof’ en ‘de pastoor’. Verander de westerse aanpassing van Fatima in het lutheranisme van Ottelijne. Zo krijg je exact het verhaal van Het Huis Lauernesse.

Ook zonder de omzetting naar onze tijd is het duidelijk dat Toussaint meer aansnijdt dan alleen een geloofskwestie. De roman doet wat elke goede roman doet: hij geeft allerlei interpretatiemogelijkheden, zonder dat de een de ander uitsluit. Er zijn veel gasten welkom in het huis van de literatuur en die kunnen allemaal een eigen kamer krijgen.

De breuk tussen generaties is een van de thema’s. De zestiende eeuw was woelig en verward als de onze en oude zekerheden werden van de ene op de andere dag wankel. Aernout houdt krampachtig vast aan wat hij toch zal verliezen. Natuurlijk is het ook een roman over de puurheid van de godsdienst. Luther schraapte als het ware de vervuiling van de heersende godsdienst af en dat betekende een terugkeer naar het zuivere geloof.

Het Huis Lauernesse is ook een emancipatieroman. Ottelijne begint al met een gewaagde keuze in haar verloving. Ze kiest tegen elke verwachting in een burgerman en schoffeert daarmee de adel waar ze zelf toe behoort. Daarna gaat ze steeds een stap verder in haar zelfstandigheid. Ze kiest vrij haar eigen godsdienst, ze kiest ervoor om los te zijn van mannen, en ten slotte kiest ze ook nog voor een ongebonden zwervend bestaan.

Tegelijk is de roman een pleidooi voor verdraagzaamheid. Het grote gevaar in geloofszaken is ‘dweeperij’. De hoofdpersonen die fanatiek zijn, gaan ten onder, of ze nu tot het katholieke of het protestantse kamp behoren. In een samenleving waarin verschillende geloven naast elkaar leven, zoals de Nederlandse, moet je tolerant zijn – dat is de boodschap van Toussaint. Onder studenten Nederlands zijn nog geen Achmeds en Fatima’s. Die zitten bij economie en medicijnen. Maar de Ottelijnes en Aernouts die er wel zijn, hebben er volop mee te maken. Dat ze dan van een negentiende-eeuwse schrijfster te horen krijgen dat ze de boel een beetje bij elkaar moeten houden, dat is toch ontroerend?

De oratie die Marita Mathijsen gisteren hield bij haar afscheid als hoogleraar Nederlandse letterkunde is (in verkorte vorm) te lezen op pagina 8 en 9.