Oudste licht gezien, uit tijd dat het heelal 600 miljoen jaar oud was

Er is een nieuwe oudste lichtbron in het heelal gevonden. Dat licht, van een exploderende ster, deed er 13,1 miljard jaar over om de aarde te bereiken. Het betekent dat de explosie plaatsvond toen het heelal nog maar zo’n 600 miljoen jaar oud was. De vorige recordhouder, ontdekt in september 2008, explodeerde toen het heelal 750 miljoen jaar oud was (Nature, 29 oktober).

De sterexplosie gebeurde in de zogenoemde kosmische Middeleeuwen. Dit is het tijdperk dat zo’n 350.000 jaar na het ontstaan van het heelal begon en voortduurde tot het moment van het ontstaan van de voorlopers van sterrenstelsels, ruwweg 800 miljoen jaar later. De explosie werd veroorzaakt door een zware ster die aan het einde van zijn korte leven was gekomen en instortte, waarbij een zwart gat ontstond en de rest van de ster explodeerde. Deze exploderende ster is nu het verste object dat in het heelal is waargenomen.

De explosie werd op 23 april ontdekt door de Amerikaanse Swift-satelliet in de vorm van een stoot gammastraling uit de richting van het sterrenbeeld Leeuw. Nadat de satelliet ook röntgenstraling van deze gammaflitser (GRB090423) had waargenomen, kon de positie aan de hemel worden bepaald. Telescopen op aarde namen vervolgens het nagloeien van de sterexplosie in het infrarood waar.

De eigenschappen van de nu ontdekte gammaflitser komen sterk overeen met die welke (veel) dichterbij worden waargenomen. Dit betekent dat 600 miljoen jaar na de oerknal al dezelfde soort sterren op dezelfde wijze explodeerden als nu. Deze explosies zijn op de oerknal na de zwaarste explosies in het heelal.

Tijdens de kosmische Middeleeuwen was het heelal veel kleiner en compacter dan nu en onderging het ingrijpende veranderingen. Het bestond uit waterstof en helium, maar dat ging in de loop der tijd op allerlei plaatsen samentrekken tot sterren en protosterrenstelsels. De verste gammaflitsers kunnen nu letterlijk licht werpen op dit relatief korte, maar belangrijke kosmische tijdperk. George Beekman