Ook hoge bonussen bedreigen de politieke stabiliteit

In Amerika houden de slachtoffers van de crisis zich opmerkelijk rustig. Maar als de werkloosheid niet rap afneemt en de zelfverrijking van de financiële elite niet stopt, ligt breed gedragen rancune op de loer. Een onheilspellend vooruitzicht.

Columnist voor de site The Globalist.com. Auteur van onder meer ‘The Politically Incorrect Guide to the Middle East’ (Regnery, 2008) en ‘The upcoming ‘shifting superpowers’: The U.S.-China-India Relationship in the 21st century’ (Cato, 2009). Geboren in Ierland en woonachtig nabij Washington DC.

Waarom geeft Goldman Sachs zijn directeuren niet de opdracht om in 19e eeuwse frak en met een hoge zijden op, vergezeld door een tv-ploeg, straatbedelaars een schop te gaan verkopen? Ze lijken immers alles al in het werk te stellen om het kapitalistische systeem verdacht en veracht te maken, nadat het zoveel heeft gedaan om de wereld te verrijken.

Op 15 oktober jl. bevestigde topman Lloyd C. Blankfein dat de jaarlijkse bonuspot van Goldman Sachs was opgelopen tot boven de 23 miljard dollar – het hoogste bedrag aan bonussen uit de geschiedenis van het bedrijf en het dubbele van dat in 2008.

De kloof tussen het luilekkerland van Wall Street en de ellende in de gewone wereld is opvallend: de Amerikaanse werkloosheid ligt nu op 9,8 procent en zal vermoedelijk nog verder stijgen, en het aantal werkenden op de totale Amerikaanse bevolking ligt op het laagste peil in een kwart eeuw.

Dit is niet ongemerkt voorbijgegaan aan de Amerikaanse popcultuur. Een van de grootste country-and-westernhits van het afgelopen jaar, gezongen door John Rich, heeft de suggestieve titel Shuttin’ Detroit Down. En nog veelzeggender was de politiek beladen tekst: ‘They’re livin’ it up on Wall Street in that New York City Town / But in the real world, they’re shuttin’ Detroit down.’ (Live it up wil zeggen: het ervan nemen.)

Country-and-western is in de Verenigde Staten meestal geen middel tot maatschappelijk protest. Het is zeer patriottische en sociaal-conservatieve muziek, die de gezinswaarden bejubelt. Maar in het enorme succes van het liedje van Rich weerklinkt de felle woede uit de populaire cultuur van de jaren 20 in Weimar-Duitsland, toen gericht tegen de grote zakenlui die in de volksmond werden beschouwd als de profiteurs van de verschrikkingen en hartverscheurende verliezen uit de Eerste Wereldoorlog.

De herinnering aan die gesloopte sociale structuur, de pijn en woede waartoe deze leidde en de afgrond van cynisme en gevaarlijk radicalisme die ze opende, is te zien in de venijnige karikaturen van George Grosz en Otto Dix. Vervang ‘oorlogsprofiteur’ door ‘bankier’ en het publiek van John Rich zou het begrijpen.

De Verenigde Staten hebben de afgelopen eeuw hoogstens te maken gehad met kleine, en opvallend eenvoudig te bedwingen flarden van populistische rancune uit de arbeidersklasse. De populistische hartstochten werden merendeels met succes gekanaliseerd door de politiek meest geslaagde en invloedrijke twee presidenten van de eeuw: Franklin D. Roosevelt tijdens het langdurige, slepende herstel van de crisis in de jaren 30, en Ronald Reagan na de schokken in de olie- en energieprijs en de instorting van een groot deel van de Amerikaanse productie en zware industrie eind jaren 70, begin jaren 80.

Tot dusver zijn de politieke rimpelingen van de ergste Amerikaanse financiële crisis sinds de jaren 30, en de ergste werkgelegenheidscrisis in één generatie opvallend gematigd. Wat de twee eerbiedwaardige partijen op Capitol Hill betreft, is het business as usual.

De Republikeinen vertrouwen erop dat ze bij de tussentijdse Congresverkiezingen in november 2010 grote winst op de Democraten kunnen boeken. De Democraten houden zich niet bezig met gedurfde hervormingsprogramma’s voor de lange termijn, maar willen een gezaghebbende, geruststellende en gematigde indruk op de kiezers van het midden maken en de trek naar de Republikeinen beperken.

Bij geen van beide partijen heerst tot nu toe veel angst voor een boze volksopstand van de kiezers uit de blanke arbeiders- en lagere middenklasse, die zo zwaar de dupe zijn van het falende beleid van zowel Bush als Obama.

Maar als het komend jaar een verbetering uitblijft en de directeuren van Goldman Sachs en hun collega’s blijven elkaar steeds maar nieuwe miljarden uitdelen, kan dit uiteindelijk veranderen.

Na de grote financiële crisis van september 2008 heeft Washington veel, maar zeker niet alle financiële instellingen en banken op Wall Street van de ondergang gered. In die operatie zijn biljoenen dollars gepompt, gedrukt op kosten van de belastingbetaler. President Obama heeft op die reddingsoperatie zijn goedkeuringsstempel gezet door Wall Street-veteraan en insider Timothy Geithner als minister van Financiën te kiezen en Bernanke nog een termijn bij de Fed te houden.

Zou de binnenlandse economie zich onder Obama hebben hersteld, dan zou dit voorzichtige, gematigde, conventionele gedrag dat zo typisch is voor deze president, geprezen zijn als een toonbeeld van verstandig staatsmanschap. Maar de economie heeft zich nog niet hersteld in termen van gedaalde werkloosheidscijfers. Onder Obama is de afbraak van de Amerikaanse werkgelegenheid veeleer versneld. Zelfs Bush heeft nooit met een werkloosheidscijfer van 10 procent te kampen gehad en daar is het Amerikaanse volk niet ver meer vandaan.

In zo’n klimaat bestaat het gevaar dat de verdere zelfverrijking van de financiële elite op Wall Street met miljarden dollars tegelijk – vlak nadat ze met biljoenen dollars overheidsgeld uit de brand geholpen is – tot een verbitterde, breed gedragen en langdurige reactie leidt. Rancune tegen de zogeheten oorlogsprofiteurs speelde in de jaren 20 en begin jaren 30 een verrassend grote rol in de Amerikaanse politiek. Ze was mede debet aan het klimaat van isolationisme waardoor de Verenigde Staten geen enkele aanvechting voelden om met de inzet van hun enorme gewicht Europa te stabiliseren of te redden in de noodlottige jaren 30 toen Adolf Hitler aan de macht kwam, geflankeerd door andere fascistische dictators en demagogen.

Zo diep was de haat tegen de oorlogsprofiteurs dat het Republikeinse Congreslid Fiorello LaGuardia van New York beroemd werd door aan te dringen op wetgeving die voor hen de doodstraf verplicht stelde. Tevergeefs, maar de poging deed zijn politieke carrière geen kwaad. Hij diende vervolgens drie termijnen als burgemeester van New York en is misschien wel de grootste uit de geschiedenis van die stad.

Als burgemeester werd LaGuardia, ook al was hij dan Republikein, een van de machtigste en belangrijkste bondgenoten van president Roosevelt bij de invoering van zijn New Deal – de hervorming van het financiële stelsel en de sociale zekerheid.

LaGuardia zag in dat president Roosevelt het kapitalisme niet vernietigde, maar het redde van de uitwassen, hebzucht en roekeloze domheid waardoor de Krach op Wall Street en de crisis waren veroorzaakt.

Maar de directeuren van Goldman Sachs en hun collega’s op Wall Street behouden of verdedigen het kapitalisme niet – integendeel, ze brengen het in diskrediet op een manier die Marx en Lenin verheugd zouden toejuichen.

© The Globalist