Muziekgebouw aan het IJ toont grootse ambities

Eigentijds Ensemble Modern o.l.v. Franck Ollu. Gehoord: 29/10 Muziekgebouw aan ’t IJ, A’dam.****

Als het Ensemble Modern in Nederland optreedt, is dat altijd in de context van festivals of bijzondere gelegenheden. Daarom was het uitzonderlijk dat het in Frankfurt gevestigde gezelschap eergisteren optrad tijdens een ‘gewoon’ concert in de donderdagavond-serie in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Het is een direct gevolg van de ambitie van zaaldirecteur Tino Haenen om internationaler te programmeren en markeert een nieuwe stap in de ontwikkeling van het Muziekgebouw, nu vier jaar open.

Onder leiding van huisdirigent Franck Ollu en met solisten uit eigen gelederen gaf het ensemble een formidabel optreden dat aan alle verwachtingen en eisen voldeed. Tussen werk van drie jonge, levende componisten klonk het Celloconcert (1966) van de in 2006 overleden György Ligeti. Voorbeeldig naar elkaar luisterend kropen de musici in elkaars klank tijdens het in slow motion verglijdende eerste deel. Met fluwelen handschoentjes speelden ze de snelle, fluisterzachte, meer voel- dan hoorbare guirlandes van het tweede deel. Solist Michael Kasper voorzag de muziek hier en daar van een bezield accent en ontroerde aan het slot met een haast tragische virtuositeit.

Het leukste aspect van Incipit (2000) van de Oostenrijker Johannes Maria Staud bleef helaas onopgemerkt. Hij schreef namelijk nóg twee composities die vertrekken vanuit precies hetzelfde begin; een expressieve, wat klaaglijke trombonesolo. Het nu uitgevoerde werk gebruikt weliswaar veel overbekende gebaren, maar beklijft toch door de solopartij, met zijn warrige, spraakachtige wendingen. Solist Uwe Dierksen speelde perfect.

De in Europa en Israël geschoolde Jordaniër Saed Haddad, hier eerder te gast bij het Nieuw Ensemble, schreef met het trio Le Contredesir (2004) een wat al te klakkeloos op Arabische leest geschoeide compositie, vol rijk versierde melodieën in een oosterse toonsoort. In The Sublime (2007) bleef die modale smaak aanwezig, maar nam Saddad wel veel meer afstand voor reflectie en eigen inbreng. Het stuk is een overrompelende reis door sferen en kleuren, met uiterst inventieve klankconstellaties en onverwachtse wendingen.

Enno Poppes Salz (2005) was een waardige afsluiter, sterk conceptueel, met een kettingstructuur die volgens een vrij traditioneel schema escaleert. Het gebruik van een elektronisch vervormd orgeltje als bodem geeft het geheel iets onwerkelijks. Er lijkt voortdurend van alles te broeien onder de oppervlakte en de uiteindelijke uitbarsting van energie komt dan ook als een bevrijding.