Graven naar dichter García Lorca is omstreden

Van de naar schatting 114.000 mensen die aan het eind van de Spaanse burgeroorlog, in 1939, werden vermist, omdat zij door een van de strijdende partijen waren geëxecuteerd, is maar een fractie teruggevonden. Naar de overblijfselen van wellicht de beroemdste vermiste, de dichter Federico García Lorca (1898-1936), wordt sinds deze week in een Andalusische dorpje bij Granada gegraven.

Het graafwerk, door hekken en zeilen afgesloten voor indiscrete blikken, vindt plaats op verzoek van de familie van een van de andere mannen die hier op 19 augustus 1936 door een nationalistische groep zijn doodgeschoten. De nazaten van de dichter zijn geen voorstander van de opgraving, al hebben ze deze week laten weten DNA-materiaal voor de identificatie te zullen afstaan.

Niet elke Spanjaard is gecharmeerd van de pas thans de kop opstekende mode om de massagraven uit de burgeroorlog te openen, en meent dat voor de sociale vrede wonden uit het verleden gesloten moeten blijven.

In het geval van García Lorca geldt bovendien, dat zijn dood al tot veel discussie aanleiding heeft gegeven. Spaans Links heeft hem als held willen annexeren, maar anderen zeggen dat de dichter juist goede betrekkingen had met vooraanstaande leden van de fascistische beweging Falange, zodat zijn dood een andere achtergrond moet hebben. In dat geval komen García Lorca’s homoseksualiteit, of wellicht een jaloezie-drama onder mannen in aanmerking. De opgraving raakt dus aan veel taboes van de Spaanse samenleving in het verleden.