Generaties

Een generatie is in de meest algemene betekenis ‘een groep van tijdgenoten’, en tijdgenoten zijn mensen die een periode delen. Maar wat is een periode, waar ligt het begin? Dat is meestal een historische gebeurtenis. Mensen moeten kunnen beseffen dat er in hun leven iets van enorme betekenis is gebeurd om zich tot een welomschreven generatie te kunnen rekenen. Zo is er nu de generatie 9/11, van degenen die bewust de verwoesting van de Twin Towers hebben beleefd.

Dan is het de vraag op welke leeftijd je in staat bent iets van deze orde bewust te beleven. Ik denk dat je wel een jaar of tien moet zijn, aan het begin van je puberteit, de leeftijd waarop je je rekenschap gaat geven van wat er in de grote buitenwereld gebeurt. Op grond daarvan ontwikkel je dan geleidelijk en onder invloed van de daarop volgende gebeurtenissen een algemene kijk op het leven en de wereld.

De generatie van 9/11 nadert dus nu de volwassenheid. Hoe ze de ervaringen van de afgelopen acht jaar in de praktijk zal proberen te brengen, zal het komende decennium duidelijker worden, als deze kinderen van 9/11 zelf iets te vertellen krijgen, verantwoordelijkheid gaan dragen. Dit is mijn generatietheorie; klinkt misschien wat ingewikkeld, maar is in wezen heel eenvoudig en regelrecht aan de praktijk ontleend.

In 1947 zag ik de film The Best Years of Our Lives, van William Wyler, met in een van de hoofdrollen Dana Andrews. Het gaat over drie jongemannen, veteranen, die hun weg in de maatschappij van de vrede moeten vinden. Dat gaat niet gemakkelijk. Andrews speelt de gedemobiliseerde gezagvoerder van een B-17, een Vliegend Fort.

Toevallig komt Andrews op een vliegtuigkerkhof waar deze machines in lange rijen op verdere sloop wachten. Hij klimt in een cockpit. Daar liggen nog landkaarten zoals ze er door de laatste bemanning zijn achtergelaten. Hij slaat het stof eraf, kijkt links naar buiten, hoort het geraas van een aanslaande motor, kijkt naar rechts, hetzelfde. Een paar seconden is hij terug in the best years of his life.

Erik Hazelhoff Roelfzema, Engelandvaarder, piloot , drager van de Militaire Willems-Orde, Soldaat van Oranje, werd, nadat hij nationaal beroemd was geworden, geïnterviewd voor de televisie. Uitvoerig vertelde hij van zijn avonturen, levensgevaar, doodsverachting. Het was een prachtig interview. Het liep op zijn eind. Hij zei peinzend: „Ja, die oorlog was eigenlijk een verdomd mooie tijd.”

Toen, in 1974, maakten Hans Keller, Hans Verhagen en ik een documentaire over de oorlog, Herinneringen aan Nederland 1938-1948. We hadden een voorbeeld, Le chagrin et la pitié, van Marcel Ophüls, een film over het leven van gewone mensen in Clermont-Ferrand, toen Vichy-Frankrijk. Zo wilden wij het ook doen. Verzetsmensen, collaborateurs, gewone burgers die hun onaanzienlijk leven wilden blijven leiden. Een NSB’er was moeilijk te vinden. We hebben een advertentie gezet. Daarop kwam iemand die door Mussert was gegrepen en zich na 1941 bij de Nederlandse SS voor het Oostfront had gemeld. We lieten hem eerst op proef komen. Hij bleek een begaafd verteller te zijn. Hij had één arm, de andere was er ergens in de buurt van Leningrad afgeschoten. Na de oorlog was hij ter dood veroordeeld, had gratie gekregen, nog jaren in de gevangenis gezeten en was ten slotte vervroegd vrijgelaten. Hij bleef twee uur onafgebroken aan het woord. Hij was uitverteld, zuchtte diep en zei: „Ja, mijne heren. Is ’t niet waar? ’t Is weer voorbij, die mooie zomer.”

Het gaat er hier niet om een waardeoordeel uit te spreken. Het gaat over het onderscheid tussen generaties die door het lot in een scherp begrensd tijdvak van de geschiedenis zijn geduwd. Mensen van deze oorlogsgeneratie hebben elkaar misschien naar het leven gestaan, elkaar gruwelijkheden aangedaan. Best mogelijk dat ze nog op een afrekening zinnen. Maar iets onvervreemdbaars hebben ze gemeen: dat is hun jeugd.