Genees de wereldhandel voordat ook de wereldpolitiek besmet raakt

Het uiteenvallen van het mondiale economische netwerk door de crisis vergroot de kans op politieke en militaire ontsporingen, aldus Peter van Bergeijk.

Hoogleraar internationale economie aan het Institute of Social Studies in Den Haag. Promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen op een proefschrift over handel en diplomatie.

Is het proces van economische globalisering over zijn top heen? De laatste zestig jaar hebben een uitzonderlijke groei in de wereldhandel laten zien, maar net zo uitzonderlijk is de krimp die zich nu voordoet. Dat begon een jaar geleden. In 2007 en 2008 groeide de wereldhandel nog ‘gewoon’ tussen de 5 en 10 procent, maar in oktober 2008 kwam de groei plots tot stilstand en begon de krimp. Begin 2009 waren de handelscijfers 20 procent lager dan een jaar eerder. Buitenlandse investeringen, bankleningen en ontwikkelingshulp storten in. Een dergelijk dramatische neergang heeft zich sinds de Grote Depressie niet voorgedaan. De wereld is, kortom, na een halve eeuw voortdurende internationalisering aan het deglobaliseren.

Dat is slecht economisch nieuws: de werkloosheid loopt op en het financieren van de Keynesiaanse vraagstimulering wordt problematisch. Want bij teruglopende wereldhandel ontstaat al snel de reflex om te pleiten voor bescherming van de eigen industrie. En hoewel het maar al te graag wordt vergeten, was ook Keynes in het Interbellum een verklaard voorstander van dit soort handelsbelemmeringen. De echo van de Britse econoom klinkt nu harder door dan goed voor ons is. Het IMF bijvoorbeeld raadt China aan de economie minder afhankelijk te maken van export en buitenlandse investeringen. Als andere overheden een dergelijk pad inslaan kan de daling van de wereldhandel een permanent karakter krijgen.

Maar deglobalisering is meer dan slecht economisch nieuws. Al sinds het begin van de 19e eeuw wordt de samenhang tussen intensievere handel en betere internationale politieke verhoudingen onderkend. Dit inzicht heeft ook zijn weerslag gekregen in de vormgeving van de internationale instituties. De deelnemers aan de conferentie van Bretton Woods (1944) die ons het IMF en de Wereldbank (en veel later de Wereldhandelsorganisatie) opleverden, wilden voorkomen dat een ontsporing van de wereldeconomie nog een keer tot een wereldbrand zou leiden. Negatief geformuleerd luiden economische tegenslag en handelsconflicten vaak ernstige diplomatieke conflicten in. Positief geformuleerd maken handelsbetrekkingen conflicten duurder, ontmoedigen ze dus oorlog en stimuleren ze de democratische vrede.

De Europese eenwording is een goed en positief voorbeeld van hoe economische integratie de basis kan vormen voor vreedzame betrekkingen, zelfs tussen landen die een lange geschiedenis van gewapende conflicten hebben zoals Duitsland en Frankrijk. Lidmaatschap van de Europese Unie is ook een belangrijk instrument gebleken om democratisering af te dwingen en te bestendigen, niet alleen in Oost-Europa in de jaren negentig van de vorige eeuw, maar ook bij eerdere toetreders zoals Spanje, Portugal en Griekenland.

De huidige desintegratie van het mondiale economische netwerk is dus een zorgwekkende politieke ontwikkeling: de kans op politieke en militaire ontsporingen nemen sterk toe.

De deglobalisering verscherpt en versnelt daarnaast een geopolitieke aardverschuiving die al eerder in gang is gezet. Algemeen wordt verwacht dat de ontwerpers van de huidige spelregels van de wereldeconomie (VS en Europa) binnen twee decennia geen meerderheidspositie meer zullen innemen in de mondiale besluitvorming omdat het aandeel van nieuwe spelers in de wereldeconomie sterk toeneemt. De opkomst van nieuwe spelers is op zich geen nieuw verschijnsel en de opkomst van bijvoorbeeld Japan en later de Aziatische tijgers (Singapore, Hongkong, Taiwan en Zuid-Korea) kon door de internationale instituties zonder al te veel problemen worden geaccommodeerd.

Wat nieuw is, is het tempo en de omvang waarin in het afgelopen decennium economische macht verworven is door de BRIIC-landen (Brazilië, Rusland, India, Indonesië en China). Deze landen worden niet alleen economisch, maar ook politiek steeds belangrijker omdat een aantal urgente mondiale problemen zonder hun bijdrage niet kunnen worden opgelost. De opwarming van de aarde kan bijvoorbeeld niet worden opgelost door de geïndustrialiseerde landen. Tenzij we de nieuw opkomende landen hun rechtmatige plaats in de internationale besluitvorming geven, is het een illusie te denken dat de internationale normen en waarden, zoals conflictbeslechting door overleg in multilaterale kaders, ongewijzigd uit deze geopolitieke aardverschuivingen zullen komen.

Jarenlang heeft Nederland geloofd dat de internationale economische context geen problemen op zou leveren. Tijdens de verkiezingen die resulteerden in het huidige kabinet, kwam de internationalisering van de economie niet aan bod. Men zoekt dan ook vergeefs naar enige duiding rond dit thema in het coalitieakkoord. Nederland is al navelstarend de grootste internationale crisis sinds de jaren dertig ingevaren, en ook nu nog heeft Den Haag grote moeite met een consistente koersbepaling. Hoe moet Nederland als open economie met een sterke internationale oriëntatie in deze sterk wijzigende context opereren?

Waar het de architectuur van de wereldorde betreft, is de analyse betrekkelijk rechttoe-rechtaan. De internationalisering van voorheen gesloten landen zoals China, en hun toetreding tot wereldmarkten is een succes van de naoorlogse Nederlandse handelspolitiek, die gebouwd was op het stimuleren van op multilaterale afspraken gebaseerde vrijhandel. Hierbij was het uitgangspunt dat de belangen van kleine landen het best gewaarborgd zouden kunnen worden in zo’n stelsel. Die analyse heeft niets aan kracht verloren: het multilaterale handelssysteem biedt de beste bescherming tegen dominantie door grote landen. Voor Nederland is het in de huidige context daarom van eminent belang dat de opkomende grootmachten zo snel mogelijk een volwaardige rol in de internationale besluitvorming gaan spelen. Alleen dan is er een kans dat ze zich de filosofie van het huidige systeem op hoofdlijnen eigen zullen maken. Laten we deze landen alleen ‘op afroep’ meespelen, dan zullen ze andere wegen zoeken en vinden om hun belangen veilig te stellen.

Een belangrijke bijdrage die Nederland kan leveren is om voortaan onze invloed in het IMF en de Wereldbank louter uit te oefenen via de EU (nog zo’n succes van ruim een halve eeuw economisch buitenlandbeleid). Het nu opgeven van onze gevestigde posities is de beste investering die we kunnen doen in de toekomst van een beter bestuur van de mondiale economie. Het is een gewaagde stap. Maar steeds is gebleken dat in de internationale economische diplomatie niet de kleur van ons paspoort de doorslag geeft, maar de kracht en geloofwaardigheid van onze ideeën.

Daar waar Nederland een stapje terug moet doen in het uitoefenen van directe invloed op mondiaal niveau, is er ruimte en noodzaak voor intensivering van de economische diplomatie op bilateraal niveau. Handels- en investeringscontacten met BRIIC-landen vereisen intensieve overheidsbetrokkenheid, zowel om culturele als institutionele redenen. De BRIIC-landen kennen veel staatsondernemingen. Vaak worden overeenkomsten niet serieus genomen tenzij er een hoge ambtenaar of politicus aanwezig is om aan te geven dat de Nederlandse autoriteiten met de desbetreffende transactie instemmen. De sterke punten van Nederland liggen mede op de terreinen van energie en water- en wegbouw en de buitenlandse contractpartners zijn dan overheden. Juist nu de wereldhandel onder druk staat en Europa krimpt (waar Nederland traditioneel haar meeste uitvoer afzet) is een extra inspanning op de verder weg gelegen markten die nog wel groeien geboden. Hier is een pragmatische heroriëntering van mensen en middelen noodzakelijk. Zonder die heroriëntering zal Nederland als handelsland extra zwaar getroffen worden door de deglobalisering.

Maar het belangrijkste is en blijft het overeind houden van het multilaterale vrijhandelssysteem. Deze les wordt in Den Haag vergeten. Het lijkt misschien scherpslijperij, maar ons financiële protectionisme (‘alleen steun voor ING als ze aan ons eigen bedrijfsleven lenen’) en ons toeristische protectionisme (‘boek uw vakantie op Terschelling’) kunnen in het buitenland agressief overkomen, en ondergraven de geloofwaardigheid van onze economische diplomatie. De wereldhandel is ernstig ziek en moet daarom met extra zorg voor verdere teruggang worden behoed. Vrijhandel is nooit een doel op zich, maar juist tijdens grote depressies dreigt het protectionisme te herleven en de problemen te verergeren en dan zijn extra inspanningen geboden.

Dit is een verkorte bewerking van de oratie die Peter van Bergeijk donderdagmiddag uitsprak bij de aanvaarding van het hoogleraarschap internationale economie aan het Institute of Social Studies in Den Haag.