Die strompelende man wordt niet vergeten

Meerdere mensen zagen vijf jaar geleden hoe Theo van Gogh op straat werd vermoord. „Het maakt mij duidelijk dat geweld en moord niet iets van ergens anders is.”

De man schoot vele malen, maakte met zijn handen op en neer gaande bewegingen en liep weg. Meteen besloot Sledge Milton te gaan kijken. „Toen zag ik Theo van Gogh daar liggen. Hij had een mes in zijn buik met iets van een envelop erbij. Ik zag dat er er nog iets bewoog bij zijn keel, heel langzaam. Het was een slagader die nog klopte.”

Milton, die zichzelf nu Guadalajara noemt, wrijft met zijn hand zachtjes in zijn eigen halsstreek: „Klop.. klop...... klop. Steeds langzamer. Een vrouw kwam erbij en zei: ‘Hij leeft nog’. Toen hield het kloppen op. Die vrouw en ik zijn de laatsten die hem in leven hebben gezien. Die bewegingen in de hals zie ik nog vaak voor me.”

Maandag is het vijf jaar geleden dat cineast en columnist Theo van Gogh werd vermoord. Mohammed B., een moslimextremist van Marokkaanse komaf, werd veroordeeld tot levenslang. Tijdens de rechtszaak voorspelde de officier van justitie: „De directe getuigen zullen de gebeurtenissen nog lang heugen.”

De aanklager heeft gelijk gekregen, blijkt uit gesprekken met enkele getuigen. Wie op 2 november 2004 iets heeft gezien van de moord, wordt nog steeds bezocht door beelden. Beelden van de even uitvoerige als wrede handelingen van de dader. Beelden van de hulpeloze Van Gogh, die Mohammed B. smeekte zijn leven te sparen. „Hoe hij daar lag en ‘genade, genade’ smeekte, staat voor altijd op mijn netvlies”, zegt Ton Folkertsma. Folkertsma – door de aanklager aangeduid als „meest aansprekende getuige” – stond op het trottoir vlak bij de parkeerplaats waar Van Gogh stierf.

De beelden die het meest zijn blijven hangen, zijn die van de rustige en kille wijze waarop B. optrad. „Toen hij klaar was met zijn ‘werk’, liep hij heel kalm weg – alsof hij net een brood had gekocht”, vertelt Peter Vergeer, ambtenaar van stadsdeel Oost-Watergraafsmeer. „Inderdaad, hij gooide zijn tas en muts weg en liep toen doodgemoedereerd naar het park”, zegt Wil Slagter, ex-ambtenaar van het stadsdeel.

Bij het toenmalige stadsdeelkantoor in de Linnaeusstraat begon B. rond half negen te schieten op de fietsende Van Gogh, die hij al een tijdje op de fiets had gevolgd. Ambtenaren dachten aan een auto met een klapband, of aan een pistool met losse flodders. Toen de mannen naar buiten keken, zagen ze een man schuin oversteken, achtervolgd door een andere man. „Van Gogh strompelde, wankelde en viel uiteindelijk tussen de auto’s aan de overkant. Dat beeld van die strompelende man komt me vaak voor ogen”, vertelt Slagter.

Het merendeel van de ambtenaren bleef binnen. Sommigen stonden als aan de grond genageld, zoals Vergeer: „Later heb ik nog wel eens gedacht: had ik maar een kopje door het raam gegooid of zoiets. Schuldgevoel? Misschien een beetje, maar ik kon niet echt iets doen.” Anderen waren bang zelf slachtoffer te worden, zoals Slagter: „Ik was bang dat er nog handlangers buiten waren, het kon wel een terroristische aanslag zijn.”

Dat was een mogelijkheid, erkent ambtenaar Guadalajara, maar hij ging wel naar buiten. „Ik vond mijn collega’s een beetje laf. Het schieten was niet aan onze kant, maar aan de overkant.” Hij zag hoe B. naar beneden schoot tussen de auto’s. „De man keek rond terwijl hij bleef schieten – poef poef poef – en hij keek me een ogenblik aan. Nee, ik was niet bang. Ik dacht dat hij op de autobanden aan het schieten was.”

Na het schieten bewerkte B. zijn slachtoffer met een mes en wandelde naar het Oosterpark, waar hij uiteindelijk werd ingerekend door de politie. Vergeer: „Toen de man wegliep maakte een collega foto’s met een toestel dat daar toevallig lag; we hadden foto’s gemaakt van een sportveld en zouden die op de website zetten.” De ambtenaren liepen naar buiten en Vergeer wees de politie op de tas die op de hoek was neergegooid.

Even later namen agenten enkele getuigen mee voor verhoor. „We gingen met een soort politie-escorte naar het bureau. Belachelijk. Eventuele handlangers hadden ons kunnen zien”, zegt Slagter boos. „Ik heb daarover mijn beklag gedaan, maar ik heb nooit meer wat gehoord.”

Vergeer was de eerste weken heel schrikachtig: „Ik keek op straat steeds om als ik een geluid hoorde.” Dat opgejaagde gevoel verdween, maar sindsdien beseft hij „dat dit soort dingen altijd en overal kan gebeuren. Iedereen kan dit doen.” Iedereen? Of moslimextremisten? „Niet speciaal. B. had een salafistisch uiterlijk, maar dat hebben zoveel mensen hier.”

Andere getuigen associeerden mannen met baarden en djellaba’s wel met de moord. Slagter: „Ik ben weken niet op de Dappermarkt geweest, omdat daar mannen in djellaba rondlopen. Als ik zulke mannen op straat zag lopen, stak ik over naar het andere trottoir.” Guadalajara dacht bij elke djellaba: „Dat is vast een terrorist.”

Voor Folkertsma betekende de moord de definitieve breuk met Amsterdam en de Marokkaanse gemeenschap daar: „Ik was al langer van plan te vertrekken uit Amsterdam, maar dat kreeg een extra zet door deze moord.” Die avond kreeg Folkertsma ruzie met enkele Marokkaanse jongens die vonden dat Van Gogh zijn verdiende loon had gekregen. „Daar kwam ook die zaak bij met de automobilist die een rover op een scooter doodreed. Ik ben nu een fervente aanhanger van Wilders.” Guadalajara vreest sinds de moord ook dat moslims „de baas worden”.

Guadalajara werd naast de dode gefotografeerd en belandde op de voorpagina van De Telegraaf. Het was een voorbeeld van de mediagolf die maanden zou aanhouden. Jacintha Sterk, die de moord zag vanuit haar huis, wordt nog elk jaar benaderd door journalisten. Ze wil er liever niet meer over praten, maar „als ik nu lees of zie dat journalisten in Rusland worden vermoord om wat ze schrijven, denk ik aan Van Gogh die ook de mond is gesnoerd”.

Voor Vergeer is het leven na de moord ook niet meer hetzelfde: „Vroeger dacht ik bij afrekeningen: weer een paar misdadigers minder. Nu heb ik daar een ander gevoel bij. Het beeld van de dode Van Gogh maakt mij duidelijk dat geweld en moord niet iets van ergens anders is, maar van hier.”

Guadalajara gelooft als geboren Surinamer in geesten. „Op het moment van sterven verlaat de geest het lichaam en kijkt nog eenmaal naar zijn ‘oude huis’. Ik was erbij toen Van Gogh stierf. Hij was niet alleen op zijn sterfbed, als je de straat zo mag noemen. Ik ben trots dat ik ben blijven staan.”

Met medewerking van Jaco Alberts