De zorgen van thuis

Werken in de zorg is nooit mijn roeping geweest. Ik studeerde Nederlands en had hoogdravende artistieke ambities. Toch begon ik vorig jaar aan een baan bij de thuiszorg. Noodgedwongen. Mijn werkgever ging onverwacht failliet en ik had tijdelijk werk nodig om de rekeningen te betalen. De thuiszorg leek ideaal: flexibele werktijden en geen sollicitatieprocedures: ik kon meteen beginnen. Voor een maand of twee, dacht ik toen nog.

Ik begon als invalhulp, maar de thuiszorgmanager zou me zo snel mogelijk een paar vaste cliënten geven. Ook al was ik maar tijdelijk bij hen in dienst, elke vastigheid was welkom, zei ze. Ze mailde me een rooster met namen en adressen. Elke dag een andere voordeur, elke dag een ander, uniek karakter.

Maandagochtend: meneer en mevrouw Vreeswijk. Hij een kloeke oud-leraar, zij verpleegster in ruste. Uitgebreide koffiepauze waarin ze steevast informeren hoe mijn week is geweest. „Ben je nog naar dat concert gegaan, afgelopen dinsdag?”, vraagt meneer. Hij speelt zelf ook een beetje piano. „Ja”, roept mevrouw vanuit de keuken, „vertel ons er alles over!” Zoals zij wil ik ook oud worden, denk ik.

Maandagmiddag is in diepe rust gedompeld. Meneer Haring verdwijnt onmiddellijk in zijn werkkamer als ik er ben. Zwijgend stof ik zijn boekenkast en dweil ik de vloer. Eerst dacht ik dat hij van zijn moeder had geleerd dat je vrouwen niet mag storen tijdens het schoonmaken. Maar inmiddels, sinds ik ontdekte dat in zijn werkkamer een computer staat, fantaseer ik dat hij een levendige e-mailwisseling met vrienden onderhoudt. Of aan een wereldschokkend wetenschappelijk artikel werkt.

Dinsdagochtend: de hel. Meneer Beem is nog jong, hooguit dertig en vanwege een spierziekte bedlegerig. Hij zegt dingen als „leraren hebben een luizenleven” en „Wilders is zo gek nog niet”. Vanuit zijn bed in de woonkamer houdt hij me met toegeknepen ogen in de gaten. Hij kijkt hoe ik zijn onderbroeken strijk, hoe ik het aanrecht afneem en hoe ik me buk om onder de kast te stofzuigen. Op dinsdag draag ik wijde truien.

Woensdag maakt alles goed. Eva („noem me in vredesnaam geen mevrouw”) heeft me verboden af te stoffen, omdat dat volgens haar een misselijkmakend taakje is dat je je ergste vijand nog niet toewenst. „Boodschappen wil ik, een fris toilet en daarna lekkere koffie samen met jou.” Eva heeft bovendien een geheime minnaar, die ik af en toe in de deuropening tref en die mij dan besmuikt aankijkt. „Hij is niet zo sociaal”, zegt Eva. „Maar het is een oprecht goede man. En bovendien een beest in bed.”

Meneer Henstra slaat me uit het lood. Elke donderdag weer. Hij is halfzijdig verlamd door een ongeluk, waarbij hij zijn vrouw heeft verloren. Omdat hij ook nierpatiënt is, woont hij vlakbij het ziekenhuis voor dialyse. Zijn enige zoon woont in het buitenland. In zijn benedenhuis is het schemerig en kaal. Nergens een prent aan de muur, sfeervolle lamp of kamerplant. Alleen op het nachtkastje staat een foto van zijn beeldschone vrouw. „Ik wil nog wat van mijn leven maken”, zegt hij dapper, terwijl zijn linker mondhoek naar beneden hangt en zijn benen stakerig uit zijn luier steken.

„Stel je voor dat je ineens alles kwijt bent!”, zeg ik ’s avonds tegen mijn vrienden. „Je vrouw en je gezondheid. Terwijl je nog jaren te leven hebt. In een huis als een gevangenis.” Mijn vrienden knikken. Het lijkt hun vreselijk, zeggen ze. Maar ik zie aan hun ogen dat ze niet zo onder de indruk zijn van meneer Henstra’s situatie als ik. Waarom zouden ze ook?

Had ik vorige maand niet, net als zij, gewoon geknikt bij het horen van dit verhaal? Alle indringende documentaires en achtergrondartikelen ten spijt, blijven oude, hulpbehoevende mensen iets abstracts, zolang je niet direct met hen in aanraking komt. Het was dat ik nu per toeval in de thuiszorg was beland, anders had ik ook geen weet van wat zich achter al die anonieme deuren afspeelde. Ik bezocht geregeld mijn grootouders, maar zo’n bezoek gaf op geen stukken na zoveel inzicht als elke week drie uur lang bij iemand schoonmaken.

Het wasgoed dat door mijn handen ging, het beperkte uitzicht op het plantsoen, de pendule die gestaag tikte en de weezoete geur van ouderdom. De eenzame ansichtkaart aan de muur en de geborduurde servetten. „Je bent de eerste die ik vandaag spreek.” In de intimiteit van hun eigen woonkamer leerde ik mijn cliënten pas echt van dichtbij kennen.

Misschien was het mijn gebrek aan ervaring, misschien ook het contrast met de dynamische wereld waar ik vandaan kwam, maar ik nam alle verhalen mee naar huis. Tijdens het koken dacht ik aan meneer Beem bij wie ik me zo beklemd had gevoeld. Op de fiets probeerde ik me voor te stellen hoe het zou zijn om verlamd te zijn en geen partner meer te hebben. En ’s avonds bedacht ik me dat al mijn cliënten ook ooit onbezorgd met vrienden uitgingen.

Een maand of twee in de thuiszorg, dacht ik nog. Het werd anderhalf jaar. In die periode verankerden de cliënten zich in mijn weekritme en werden ze vertrouwd als familie.

Meneer Haring mailde niemand. Hij had zelfs geen Word geïnstalleerd op zijn computer. De hele dag speelde hij patience.

Meneer Beem vatte op een goede dag moed en vroeg me of ik met hem uit wilde. Het visioen: ik die meneer Beem in een rolstoel voortduwde, terwijl hij onophoudelijk omhoog keek met toegeknepen oogjes. Ik zei nee. Maar zonder triomf.

Meneer Vreeswijk overleed onverwacht aan kanker, mevrouw Vreeswijk werd opgenomen. Agressieve alzheimer. Zij waren de enigen van wie ik eerder afscheid heb moeten nemen dan van de thuiszorg.

Toen vond ik eindelijk een baan, „groots en meeslepend, die schrijverij”, zoals Eva zei. Ik zegde mijn contract bij de thuiszorg op, een moment waarnaar ik had uitgekeken. Maar toen ik eenmaal afscheid nam van alle cliënten en mijn vertrouwde ritme, viel het me zwaar. Werken in de zorg was dan niet mijn roeping, het had deuren en ogen geopend.