De bevrijding van de albatros

De Romantiek zou in Nederland nooit echt hebben bestaan. Onzin, zegt Marita Mathijsen in haar afscheidsrede als hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Een albatros glijdt door de lucht. Zeelieden lokken hem met wat etensafval naar beneden. In een wijde boog landt hij op het dek. Dan vangen ze hem, binden hem vast aan een touw. De ongelukkige vogel probeert op te vliegen, zet enkele wankele stappen, en klapwiekt. Zijn enorme vleugels zitten hem in de weg. De zeelieden lachen om de koning van de hemel, die nu zo log en traag over het dek schuift. Eén loopt naar hem toe en drukt een sigaret uit op zijn snavel, een ander bootst zijn gammele passen na.

De dichter, zo vervolgt Charles Baudelaire in het gedicht L’Albatros, is in de grove wereld als een gevangen albatros: zijn dichterlijke gaven zijn hem een ondraaglijke last.

Ik zie het gedicht ook als een beeld voor de Nederlandse Romantiek. Ze is gevangen, bespot, gekleineerd, verminkt. De literair historici hebben haar vastgebonden en haar verhinderd op te stijgen. Haar vleugels die in vrijheid roekeloos elke hoogte aankunnen, maken haar op het dek log en lomp.

Hoedt u echter voor de wraak van de albatros. In The Rime of the Ancient Mariner van Samuel Coleridge daalt er een vloek op de schepelingen die een albatros doodschieten. Moge de wraak van de vleugellam gemaakte albatros milder zijn.

Het is een cliché met een langer dan honderdjarig leven: de Romantiek zou in Nederland niet van de grond zijn gekomen. De beeldvorming van de negentiende eeuw en die van de Nederlandse Romantiek lopen hier door elkaar heen en zijn moeilijk uit elkaar te houden. Toen ik begon te studeren midden jaren zestig was het negatieve beeld van de negentiende eeuw op zijn dieptepunt: die eeuw was saai en moralistisch, Romantiek had in Nederland niet bestaan, en wat er toch was, zou alleen nabootsing zijn van het buitenland. Gerard Brom had ooit geschreven dat de Romantiek in Nederland ‘een klapwieken zonder opvliegen’ betekende. Maar hoe zou een vastgebonden vogel kunnen opvliegen? Broms metafoor werd eindeloos herhaald. Sinds enige decennia is er wel wat veranderd. De negentiende eeuw is bij historici een troetelkind geworden, het aantal proefschriften erover is legio, en dank zij de canonbouwers weten we inmiddels dat die eeuw de tijd van de grote veranderingen is. Maar de negatieve beeldvorming van de Nederlandse Romantiek blijft bestaan. Waar de eeuw inmiddels een eerherstel heeft gekregen, is dat uitgebleven voor de kunststroming.

STRONT IN DE OGEN

In de nieuwste literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw, Alles is taal geworden van Willem van den Berg en Piet Couttenier, halen de schrijvers de klapwiekmetafoor van Brom nog maar eens van stal en stellen dat het nationalisme veroorzaakt heeft dat de Romantiek niet doorgedrongen zou zijn: ‘Het zoeken naar de eigen identiteit en het propageren van het nationale karakter van de literatuur werkte remmend.’ Hetzelfde denigrisme treft men nog geregeld in de kranten aan. Hans den Hartog Jager besprak de magnifieke Romantiektentoonstelling dit jaar in Haarlem met stront in zijn ogen. Hij beweerde dat Romantiek en Nederland een contradictio in terminis zijn.

Inmiddels heeft een buitenlander ons geleerd hoe we in Nederland naar de Verlichting in de zeventiende en achttiende eeuw moeten kijken. Jonathan Israel heeft totaal gebroken met het idee dat er hier geen radicale Verlichting geweest is waardoor een gematigde Verlichting de boventoon gevoerd zou hebben. Hij heeft aangetoond hoe de radicale variant juist in Nederland ontstaan is en verspreid werd over Europa.

Zouden wij ook buitenlanders nodig hebben om ons de ogen definitief te openen voor de volwaardige Romantiek in Nederland? Het lijkt me verstandig om dan eerst eens te bezien of er wel een volwaardige Romantiek in de buitenlanden geweest is waartegen de Nederlandse verbleekt. Isaiah Berlin waarschuwt voor definiëring van de Romantiek, omdat er zoveel over geschreven is dat je elk richtingsgevoel verliest. Maar het uitleggen van zwarte gaten is óók moeilijk, en toch moeten die ook aan toekomstige natuurkundigen uitgelegd worden.

Er is een aantal trefwoorden waar iedereen het over eens is, in verband met de buitenlandse Romantiek. Die schudt iedereen zo uit zijn mouw: originaliteit, vrijheid, verbeeldingskracht, nadruk op het gevoel, vriendschapscultus, doodsverlangen, verledencultus, vlucht uit de werkelijkheid, religieuze verdieping, anti-Verlichting. Wat op het eerste gezicht een onsamenhangende reeks lijkt, en in de literatuur over de Romantiek ook vaak als losstaand gebracht wordt, kan ik in een viertal ideeëncomplexen onderbrengen.

Het eerste is dat van de breuk met de traditie. Hiermee hangen de begrippen authenticiteit, oorspronkelijkheid en vrijheid samen. Kunst moet authentiek zijn, en dat betekent dat die oorspronkelijk is. Daarin werkt de Romantiek tot in onze dagen door: originaliteit is sindsdien een vereiste van de kunst geworden. Breken met kunstregels, het creëren van nieuwe genres is er het uitvloeisel van.

De kunstgreep van de Romantiek is het contrast. Terwijl in de Verlichting de harmonie centraal stond, is in de romantische kunst alles chaos, beweging, tegenstelling, of het nu schilderkunst of literatuur is. In een tijdloos landschap staat een ruïne. Een onschuldige deerne wordt belaagd door een verleider. Het kind wordt geboren, de moeder overlijdt. Sneeuw valt in de donkere nacht. Het meisje met de zwavelstokken bevriest terwijl ze naar een vuur kijkt.

Die contrastwerking wordt gevoed door twee vermogens die centraal komen te staan. Het gevoel en in het verlengde daarvan de verbeelding worden erkend als belangrijke menselijke kenvermogens. De dichter heeft deze vermogens meer ontwikkeld dan de gewone sterveling. Daarmee staan de kunst en de kunstenaar op eenzame hoogte. De nadruk op gevoel en verbeelding brengt ook een fascinatie mee voor onverklaarbaarheden in het leven, voor het onbewuste en onderbewuste. Mysterie, onheilsplekken, spoken, levende doden, heksen en voorspellingen boeien meer dan de realiteit.

Ondanks de breuk met de traditie is geschiedenis een kernwoord van de Romantiek. In de kunst wordt het verleden hergebruikt. Het verleden zit in het heden. In de mens schuilen zijn voorvaderen, en zij maken deel uit van zijn hele existentie. Zoals een medicus onder het menselijk vlees het skelet ziet, zo ziet de Romanticus door de hedendaagse verschijningsvorm heen de historie. Dit graven in het verleden is direct verbonden met het nationalisme. Het nationalisme is een ingewikkeld onderdeel van de Romantiek. Veel eer heeft ze nooit ingelegd met de blaaskakerige Overwintering op Nova Zembla en het tenenkrommende Wien Neerlands bloed in de aders vloeit. Toch houdt het nationalisme niet een beperkte visie in, het zet geen Herashek om de samenleving, maar probeert juist in een internationaal perspectief de eigenheid van een groep te vatten. Elke samenleving, elke natie kent zijn eigen karakteristieke cultuuruitingen die samenhangen met haar verleden, en die horen dus niet overeen te stemmen met die van andere culturen.

De vier complexen kunnen niet voorkomen dat er nogal wat dilemma’s in de internationale Romantiek zijn. Van een mooie eenduidige Romantische school met een eigen tijdschrift, een manifest en een vriendengroep is in geen enkel land sprake. Overal zijn eerste en tweede generaties, tussenfiguren en randfiguren, en botsingen met andere tendensen. Wat moet men aan met de Verlichting die gestaag doorgaat in de Romantiek? In Engeland noemen de Romantici zichzelf geen Romantici. De eerste generatie, Wordsworth en Coleridge, komt meer overeen met latere Victorianen dan met de heftig levende generatie van Shelley, Keats en Byron. Wordsworth en Coleridge zijn zo oud geworden dat hun latere werk met de mantel der liefde bedekt moet worden. In de achttiende eeuw is er al Romantiek, met de gedichten van Ossian en Percy’s Reliques of Ancient Poetry. Duitsland heeft te maken met de onmogelijke indeling in Sturm und Drang, die de Duitsers zelf geen Romantiek noemen en alle buitenlanders wél, dan de filosofische Romantik van Jena en de latere Heidelberger en Berliner Romantik, waarbij de Heidelberger Romantik dan ook nog in de kwade reuk van Biedermeier staat. Bovendien hakt men Goethe en Schiller meedogenloos in stukken Sturm und Drang, Klassik en Romantik.

TAMTAM

Over Heine als romantische bespotter van de Romantiek is men het nooit eens. Frankrijk wordt algemeen als hekkensluiter van de Romantiek genoemd met de late tamtam van Victor Hugo, maar dan is er weer het probleem met Chateaubriand, die een kleine dertig jaren eerder romantisch schreef. Kortom: paniek, onzekerheid, voortdurende hergroeperingen en verbanningen. De literair-historicus die een mooi beeld van de Romantiek wil schetsen met een fraai voorspel, een hoogtepunt en een kalme wegebbing, kan beter romanschrijver – of seksuoloog worden.

Over Nederland zeggen de literair-historici meestal dat er geen Romantiek van enige betekenis is geweest, alleen nabootsing van het buitenland. Als er door de albatrosvangers al Romantiek erkend wordt, plaatsen ze die rond 1830-1840, met Aernoud Drost, J.F. Oltmans en Jacob van Lennep. Door sommige vorsers wordt Bilderdijk ook romantisch genoemd, maar zijn literair hoogtepunt ligt ver vóór 1830, voor een deel zelfs in de achttiende eeuw. Maar er zijn er ook die Bilderdijk een classicist noemen. Ook hier dus onzekerheden en tegenstrijdigheden, maar overheersend is vooral een denigrerende toon.

VERLICHTINGSDENKERS

Nu zit ik met een probleem. Als ik naar de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur kijk, zie ik dat de vier complexen bij talloze schrijvers manifest en onmiskenbaar aanwezig zijn. Net als in het buitenland is het voorspel van de Romantiek al begonnen in de achttiende eeuw. Schrijvers uit die tijd, zoals Rhijnvis Feith, Hieronymus van Alphen en Willem Bilderdijk zijn bepaald geen starre Verlichtingsdenkers, en zouden in Duitsland Sturm und Drang-figuren genoemd zijn. Net als in Frankrijk zijn er rond 1800 echte romantici, en opnieuw rond 1830. Net als in Duitsland zijn er schrijvers die in stukken gehakt zouden kunnen worden, zoals Willem Bilderdijk. En net als in het buitenland zijn er Verlichtingstendensen in de Romantiek aanwezig.

Na het voorspel van de achttiende eeuw is er in het begin van de negentiende eeuw een onmiskenbare Romantiek op gang gekomen. Het literaire centrum ligt in Amsterdam. Daar zijn enkele boekhandelaren die stimulerend op de literatuur werken, en er zijn literaire genootschappen waar geestverwanten elkaar ontmoeten. Een historisch gerichte Romantiek ontwikkelt zich, met een duidelijk romantische metaforiek en taalgebruik, met een hoge opvatting over de dichtkunst en de dichter en een beroep op de verbeeldingskracht. Ik neem Loots als voorbeeld, zie het gedichtfragment hier links naast.

In dat gedicht zelf gebeurt vervolgens wat hij wilde: de dichter wordt aangegrepen door de verbeelding: ‘Ik ijz’! Wat klaauw heeft me aangegrepen?/ Het angstig zweet breekt drupplend uit.’

Cornelis Loots, Jan Frederik Helmers en Hendrik Tollens zijn de voornaamste figuren van de losjes samenhangende kring. Het is niet gebruikelijk onder de literairhistorici om deze natieverheerlijkers onder de Romantiek te scharen, vanwege de gezwollen toon in hun werken. We houden niet van nationalisme. Hun toon wijkt echter niet af van die van buitenlandse nationalistische schrijvers die wél gemakkelijk tot de Romantiek gerekend worden. Heinrich von Kleists Katechismus der Deutschen en Fichte’s Reden an die deutsche Nation zijn echt niet minder pathetisch dan Helmers’ De Hollandsche Natie. Het Wien Neerlands bloed van Tollens blaast net zo hoog van de toren als het Deutschland über alles van Hoffmann von Fallersleben.

BYRON EN SCOTT

Bilderdijk wordt door deze groep hoog aangeslagen. Hij is ook de grote voorganger van een groep Romantici die tussen 1820 en 1830 optreden. In die periode geeft Bilderdijk privaatles in Leiden. Onder zijn gehoor zijn de jonge Isaac da Costa en Jacob van Lennep. Da Costa was goed op de hoogte van de buitenlandse literatuur: hij maakte Bilderdijk en zijn vrienden bekend met Byron en Walter Scott.

De jonge Da Costa begint als een bevlogen literator met gloedvolle dichtbundels waarin het romantisch denken als op een reclamebord aangeplakt is – zie het gedichtfragment hier links onderaan de pagina.

Maar toen Da Costa in 1823 een reactionair pamflet schreef, liep hij tegen een muur van uitsluiting op. Met zijn Bezwaren tegen de geest der eeuw raakte hij in de marge van de literatuur, en hij sleepte enkele van zijn reactionair-religieuze vrienden mee. Wij houden niet van religie. Toch horen deze religieuze verdiepers wel degelijk bij de Romantische beweging, vanwege hun nadruk op het gevoel en de vrijheid. Jacob van Lennep onttrok zich aan deze kring en vond een eigen weg. Hij zette oude volkslegenden op rijm, en die sloegen aan. Bijvoorbeeld het verhaal over het door de duivel gekraakte Huis ter Leede, waar iedereen, zodra hij er iets eet of drinkt, in de macht van Satan komt. De kruisridder die er heen gaat om zijn zuster uit de klauwen van de duivel te redden, ontsnapt, maar zijn paard heeft water gedronken in het slot en draaft met ridder en jonkvrouw de Lek in.

Het hoogtepunt van de Nederlandse Romantiek plaats ik tussen 1830 en 1840, en daarmee sluit ik aan bij die literair-historici die zuinigjes aan toch wel wat Romantiek in Nederland zien. De Leidse universiteit is in de jaren dertig een literair centrum. De studenten bewonderen en vertalen Byron en Victor Hugo. Er ontstaat daar een literaire kring, de Romantische Club genoemd, met Jan Kneppelhout, Johannes Hasebroek en Nicolaas Beets als voornaamste leden. De romantische dichtbundels die ze publiceren krijgen in de verouderde literaire bladen zure recensies.

Tegelijkertijd opereert in Amsterdam een groep vrienden die het peil van de Nederlandse literatuur wil verbeteren. Daarvoor is eerst en vooral nodig dat de literaire kritiek serieuzer wordt. Aernoud Drost, Jan Pieter Heije, Everhardus Potgieter en Reinier Bakhuizen van den Brink richten een nieuw tijdschrift op, De Muzen (1834-1835). De Leidse studenten en de Amsterdammers zijn vrienden van elkaar en hebben dezelfde idealen.

VOORUITGANG

Na zes opzienbarende nummers overlijdt Drost, nog geen 24 jaar oud, aan de tering. Hij had toen al de historische roman Hermingard van de Eikenterpen gepubliceerd, naast enige verhalen en romantische gedichten.

De Muzen sterft met Drost, maar na enige tijd krijgen de vrienden een nieuwe kans met De Gids (1837). Potgieter en Bakhuizen van den Brink bepalen de richting van het blad, die het best omschreven kan worden als progressief-romantisch. Vooruitgang is het kernwoord, en die zal er komen als schrijvers zich oriënteren op het glorieuze verleden van Nederland in de Gouden Eeuw, en op buitenlandse grote voorbeelden. De Leidenaars en Amsterdammers werken samen in De Gids.

Bij de vernieuwers van deze periode horen nog een paar schrijvers, die niet direct met De Muzen of De Gids verbonden zijn. Jacob van Lennep stapt van de dichtverhalen over op de historische roman, en oogst daarmee veel succes. De belangrijkste schrijfster van de eeuw, Geertruida Toussaint, breekt door. Er zijn nog vele namen die aansluiten bij de Romantiek, J.F. Oltmans, Adriaan van der Hoop jr., Willem Hofdijk, om er maar enkele te noemen. Geen Romantiek in Nederland? Een orgasme aan historische romans, contrastwerkingen, genredoorbrekingen, wilde verbeeldingsproducten.

Het is tijd om de kettingen van de albatros te verbreken. De beknotte Romantiek mag weer vrij opstijgen.

Ik ben begonnen met een Frans gedicht – het zou preken tegen eigen parochie zijn als ik met de albatros van Baudelaire zou eindigen. Ik zet er een stuk uit een Nederlands gedicht van Bilderdijk tegenover, waaruit eenzelfde beeld oprijst:Wat wil men ’s Dichters vrijen zang

Dan sluiten in een rag van dwang, […]

Zing vrij, en zwier en daal en rijs,

Naar geen u opgedrongen wijs!