Chinese Nasdaq niet de echte oplossing

De nieuwe Chinese beurs voor groeifondsen is overdonderend van start gegaan. De aandelen van de 28 bedrijven met een notering op Chinext, het antwoord van Shenzhen op het Amerikaanse Nasdaq, zijn allemaal tijdens de eerste halve handelsdag al minimaal in prijs verdubbeld. Ze waren reeds gewaardeerd op veertig maal de gemiddelde winst die voor dit jaar wordt verwacht, terwijl het meervoud op de gewone beurs van Shenzen dertig maal de verwachte winst bedraagt. Chinese beleggers hebben gekregen waar ze de minste behoefte aan hadden: een chaotische, overgewaardeerde groeimarkt.

In theorie is zo’n groeimarkt een aanwinst voor China. Spaargeld zou op deze manier snel zijn weg kunnen vinden naar technologie- en dienstenfirma’s, die het dikwijls moeten stellen zonder overheidssteun en bankkredieten. Die veronachtzaming gaat geheel voorbij aan hun belang voor de bevordering van de innovatie en het aanjagen van de consumptie. De betreffende bedrijven, meestal afkomstig uit de hightech-sector, zoeken hun heil daarom doorgaans in het buitenland, waardoor China niet wordt geholpen zijn kapitaal efficiënt te laten werken.

Maar in de praktijk lijkt Chinext eerder een stap te ver. De belangrijkste markten van China zijn al wisselvalliger en riskanter dan hun buitenlandse tegenhangers. De mensen achter de groeifondsen zijn op het gebied van het ondernemingsbestuur nog groentjes, om maar te zwijgen van de bestuurders van de kleinere firma’s die een deel van de aandelenuitgiftes waarborgen. Chinext loopt het risico op dezelfde manier te zullen eindigen als de Duitse Neuer Markt, die door schandalen werd geplaagd voordat zij uiteindelijk werd gesloten. En Duitsland had – net als Hongkong, Canada, Engeland en Japan, die allemaal aparte groeimarkten hebben ingericht – dan tenminste nog iets dat China niet heeft: een diepgewortelde, goed ontwikkelde kapitaalmarkt.

In China zijn zelfs de aandelen van grote bedrijven moeilijk verkrijgbaar, doordat kleine hoeveelheden vrij verhandelbare aandelen de norm zijn. De belangstelling voor beursgangen overtreft doorgaans vele malen het aantal aangeboden aandelen – zo schaars zijn de nieuwe beleggingsmogelijkheden. Bij sommige Chinext-aandelen was de vraag honderd maal groter dan het aanbod, aldus ingewijden.

Intussen lukt het Chinese beleggers slechts mondjesmaat te krijgen wat ze werkelijk nodig hebben – aandelen van grotere bedrijven met een bewezen staat van dienst. De belangrijkste markten worden in een keurslijf gedwongen door de toezichthouder.

Het wegnemen van de bureaucratische belemmeringen voor rijpere bedrijven, die bereid zijn om naar de beurs te gaan, en het versnellen van de vrijgave van aandelen die nu nog in handen zijn van de staat en niet verhandeld mogen worden, zou de Chinese kapitaalmarkten pas echt vooruit helpen.

John Foley