'Als ik win, ben ik ten dode opgeschreven'

Carolina Trujillo is een van de zes kanshebbers op de AKO Literatuurprijs. Als kind van revolutionairen vluchtte ze in 1976 van Montevideo naar Wijk aan Zee. Nu neemt ze literair wraak op de junta. ‘Ik denk dat ik soms een hele destructieve aard heb.’

Aanvankelijk houdt ze de boot af. Schrijver Carolina Trujillo (Montevideo, 1970) heeft niet veel zin om voorafgaande aan een interview, ter kennismaking, samen naar de voetbalwedstrijd Uruguay-Argentinië te kijken. „Ik begin te vermoeden dat jij op een fanatieke Uruguayaanse hoopt die joelend uit het raam hangt bij elke goal.... Maar ik vrees dat ik een nationalist van niks ben”, mailt ze terug.

Als later blijkt dat enkele Uruguayaans-Nederlandse vrienden wel gezamenlijk in Amsterdam de cruciale kwalificatiewedstrijd voor het WK-voetbal live zullen bekijken, zwicht ze. Op een vrieskoude oktoberavond, even voor middernacht, fietst Trujillo naar het Satellite Sportscafé op het Leidseplein. Zittend op een plastic krukje kijkt ze op een tv-scherm naar een evenement dat zich 13.000 kilometer verderop afspeelt in haar geboorteplaats. „Mijn moeder woont vlak bij het stadion”, zegt ze, omringd door joelende Zuid-Amerikanen. En dan, vlak voor de aftrap, heft ze het halve liter glas bier. Proost. „Als Uruguay wint, krijg ik de AKO Literatuurprijs.”

Vanaf het begin hebben de „reserve-Argentijnen”, zoals Trujillo de kleine buren van Argentinië aanduidt, het betere van het spel, maar ze weten niet te scoren. Een paar minuten voor tijd doen de tegenstanders dat wel. Trujillo maakt zich zichtbaar zorgen. „Ik had mijn lot niet aan het wedstrijdverloop moeten verbinden. Ik ben namelijk erg bijgelovig”, zegt ze. Het laatste fluitsignaal klinkt. Uruguay verliest. „Daar gaat mijn AKO”, zucht de schrijver.

Hoe het daadwerkelijk afloopt, hoort ze dinsdag 10 november. Die dag wordt bekendgemaakt of Trujillo dan wel Joke van Leeuwen, Joris van Casteren, Erwin Mortier, Christiaan Weijts of Tommy Wieringa een sculptuur en 50.000 euro wint. De roman van Trujillo, De terugkeer van Lupe García, is volgens de jury „een meeslepend, indringend en bij vlagen hilarisch verhaal dat zij op sublieme wijze naar een apotheose voert”.

De roman, Trujillo’s tweede, beschrijft de lotgevallen van vier kinderen van Zuid-Amerikaanse revolutionairen in de jaren zeventig. Na het verdwijnen van de militaire junta willen de kinderen – „die allemaal naar de kloten gaan” – wraak nemen op het onrecht dat de militaire machthebbers hun ouders, die behoorden tot de Tupamaros (stadsguerrilla’s), hebben aangedaan.

Protagonist in het boek is Lupe. Zij is een journalist die vanuit Nederland terugkeert naar haar geboorteland in Zuid-Amerika. In Nederland heeft haar moeder in de jaren zeventig asiel gezocht nadat haar man – Tupamaro – werd opgesloten. Lupe wil een documentaire maken over de gevangenis waar haar vader twaalf jaar vast zat. Over de realisatie van dat plan gaat het boek. „Trujillo grijpt de lezer beet om hem pas lang na het laatste hoofdstuk los te laten. Zelden zal hij zozeer het gevoel hebben: dit is geen fictie, dit is echt”, aldus het juryrapport.

Een flink deel van de beschreven lotgevallen van Lupe García komt inderdaad verdacht overeen met het woelige leven van de auteur. „Ik beschrijf wat ik heb gezien, want bedenken kost te veel tijd en latino’s zijn nu eenmaal lui”, lacht ze halverwege een lang gesprek.

Trujillo is de oudste dochter van een Uruguayaans echtpaar dat elkaar leert kennen op de sociale academie in Montevideo. In het land waar arm en rijk, links en rechts elkaar naar het leven staan, sluiten ze zich aan bij de Tupamaros. In 1973 wordt haar vader door het leger opgepakt en opgesloten. Moeder vlucht en neemt haar twee dochters Carolina en de een jaar jongere América mee naar Argentinië. Daar grijpt het leger pas drie jaar later de macht. In de Argentijnse vluchtelingenkampen deelt de VN visa uit voor landen in Europa. In 1976 komen de Trujillo’s terecht in een asielzoekerscentrum in Wijk aan Zee.

Het leven in Nederland in een kamp vol kinderen, met moeders maar vrijwel zonder vaders, herinnert Carolina Trujillo zich als een redelijk gelukkige tijd. Ze doodt de tijd met kattekwaad. „In Wijk aan Zee speelden we in bunkers. Dan stookten we een fikkie. De grote jongens prikten wormpjes op stokjes en roosterden ze in het vuur. Pas als je blauw stond van de rook en ziek werd van het afschuwelijke spektakel, kroop je weer naar buiten.”

De Trujillos wonen ook nog in Zeist, Amsterdam en Abcoude. Montevideo is heel ver weg. Op twee keer na dan. Hulporganisaties organiseren reizen voor kinderen van vluchtelingen om de in Uruguay gevangen zittende vaders te kunnen bezoeken. Vooral de tweede reis, als Carolina dertien jaar is, maakt indruk.

„We vlogen met honderdvijftig kinderen naar Uruguay. Moeders konden niet mee, want die werden nog gezocht. Het was een gigantische gebeurtenis. Op het vliegveld stonden overal mensen bij de hekken. En de busrit naar het centrum, die normaal een half uurtje duurt, nam door de drukte nu 2,5 uur in beslag. Langs de boulevard stonden mensen met spandoeken: Sus padres volverán (jullie ouders zullen terugkeren), klonk het. Het waren de laatste dagen van de dictatuur, iedereen wilde ons aanraken. Het was gekker dan de intocht van een kampioenselftal.”

Hoe was het om uw vader terug te zien?

„Ik was erg zenuwachtig dat ik hem niet meer zou herkennen. Al die gevangenen hadden grijze overalls en een kaal hoofd. Baarden mochten ze niet laten groeien. Alleen een snor was toegestaan en dus hadden ze allemaal een snor. En dan moet jij tussen die mannen, die in de gevangenistuin op een rij staan, je vader vinden. Ik dacht steeds, shit, het is zo treurig voor mijn vader als ik hem niet herken. Mijn vader keek ook nog de andere kant op en zwaaide niet. Hij wilde testen of we hem herkenden. Maar je ziet hem en je weet zeker: dat is hem!”

In 1984 mocht uw vader naar Nederland vertrekken.

„Ja, dat was raar. Als klein kind vertelde ik in Nederland graag het verhaal dat mijn vader tijdens een demonstratie ooit een militair, die met sabels insloeg op de mensen, van zijn paard had getrokken. Ik zat altijd op te scheppen dat mijn vader met blote handen ijzer kon breken. Maar op Schiphol, tussen die lange Nederlanders, ontmoette ik vooral een kleine, kaalgeschoren en slecht geklede man. Mijn held woog 50 kilo en hij schrok van harde geluiden.”

Het herenigde gezin woont een jaar in Nederland en keert dan terug naar Uruguay. „Mijn vader wilde graag terug. Mijn moeder liet ons de keuze. Mijn zus en ik zijn in beraad gegaan. We waren in Nederland vooral dol op onze verzorgpony’s. We gingen alleen terug na de belofte dat we in Montevideo een paard zouden krijgen. De rest was me een rotzorg.”

In Uruguay valt het gezin na twee jaar weer uit elkaar. De ouders gaan, uit elkaar gegroeid, scheiden. „Mijn vader ging op een flatje wonen in Montevideo. En aan de kust bouwde hij een vakantiehuis dat heel erg leek op de gevangenis waar hij twaalf jaar vastzat. Een hoekig gebouw, met dezelfde kleur bakstenen, dubbele muren, kleine raampjes en met, als enige huis, twee verdiepingen.”

Bij aanvang van de tweede ontmoeting rinkelt het mobieltje van Trujillo. Op haar gezicht verschijnt een grote grijns. „Hoera, hoera, hoera”, schreeuwt ze. „Geweldig, geweldig”, en ze springdanst bij het tafeltje in café Het Badhuis in Amsterdam. Het Fonds voor de Letteren heeft zojuist laten weten een genereus subsidiebedrag toe te kennen, zodat de schrijver aan haar derde roman kan werken. Hoeveel geld het precies is, kan hier volgens haar beter niet worden vermeld. „Nederlanders praten niet over geld”, zegt ze. Maar voorlopig is ze zorgeloos. Haar racefiets met metaalmoeheid gaat een grote beurt krijgen.

Dit is haar grote-goed-nieuwsmaand. De sporen ervan staan op Trujillo’s gelaat: een grote rode plek naast haar rechteroog. Twee weken eerder volgde ze met vrienden in een kroeg de rechtstreekse tv-uitzending waarin de zes kandidaten voor de AKO Literatuurprijs bekend werden gemaakt. Ze was door het dolle. De nominatie van haar boek werd vervolgens iets te uitbundig gevierd. ’s Nachts viel de schrijver, op weg naar huis, pijnlijk van haar fiets.

Toch is Carolina Trujillo inmiddels een geroutineerd prijzenwinnaar. Met haar eerste verhaal wint ze 250 dollar in een Chileense verhalenwedstrijd. Met het geld schaft ze een zadel aan. Daarna schrijft ze op haar achttiende de novelle De exilios, maremotos y lechuzas (Over ballingschap, vloedgolven en nachtuilen, red.) over de belevenissen van een asielzoekerskind in Nederland. Ze wint er een literaire prijs in Argentinië mee. Van het prijzengeld, duizend dollar, koopt ze een vliegticket naar Nederland om er te studeren. Aan de filmacademie in Amsterdam voltooit ze de studie scenarioschrijven.

Terwijl ze in Nederland de kost verdient als barvrouw, secretaresse, lerares Nederlands op een vmbo-school en tolk werkt ze aan De bastaard van Mal Abrigo. Een roman over de eerste Zuid-Amerikaanse president die cocaïne legaliseert. In 2002 komt het boek, haar eerste in het Nederlands, uit. En wederom wint ze een prijs: de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs voor het beste prozadebuut (5.000 euro).

Trujillo pakt de camera uit haar tas om op het scherm foto’s te tonen van de enorme stapel versies die ze van haar eerste roman maakte. Na zes jaar, vijftien dikke stapels papier later, was ze pas tevreden. Met de foto’s wil Trujillo ook aangeven waarom ze thuis, waar ze samenwoont met de Colombiaanse straathond Francisco, liever geen vreemd bezoek ontvangt. Haar kleine Amsterdamse woning – een keukentje, slaapkamer en een kantoortje – is niet meer dan een schrijflaboratorium. „Ik heb drie jaar als een kluizenaar gewoond en ben niet gewend dat er mensen bij mij thuis komen. Ik vind zoiets raar. Ik heb allerlei papiertjes aan de muur met aantekeningen over hoe ik een boek ga schrijven. En ik voel me heel ongemakkelijk als mensen die lezen.”

Na het succes van haar Nederlandse debuut trakteert Trujillo zich in 2003 op een trip van drie weken door Colombia. Het mondt uit in een reis van drie jaar. „Ik trok van Colombia naar Peru en eindigde in Uruguay. Het enige wat ik elke dag hoefde te doen, was schrijven. Dat vond ik heerlijk. Ik zat in backpackers-hotels voor een paar euro per nacht. Zo kon ik het met mijn schrijverscentjes wel zeven jaar uithouden. Ik ging naar een busterminal en speelde daar een soort roulette. Dan koos ik voor een bus met als bestemming een plek met een mooie naam.”

In het boek over Lupe García wordt beschreven hoe kinderen van de Tupamaros zich suf drinken, blowen en snuiven. Cocaïne is een pijnstiller, zegt Lupe. Een drug die moed geeft. Ook dat is informatie, vertelt Trujillo, die uit het eigen leven is gegrepen. Kort na haar aankomst in Colombia neemt ze haar eerste lijntje. „Door cocaïne kun je prachtig doorwerken. Dan hoorde ik ’s ochtend bij het ochtendgloren hoe de vogeltjes begonnen te fluiten, terwijl ik nog druk zat door te tikken.”

Leverde het ook mooie tekst op?

„Toen ik in Colombia aankwam, had ik een geweldig idee voor een boek. Daar had ik ook subsidie voor. Maar ik wist niet meer te stoppen met mijn personage. Ik bleef maar door verzinnen. Ik miste de helderheid van geest om te zien dat een bepaald stuk eigenlijk al bij een ander verhaal hoorde. Het werd een draak van een boek. Toen ik er hier in Nederland met wat meer afstand naar keek, zag ik wel dat ik van een deel van de notities één boek kon maken.

„De reis duurde ook zo lang omdat ik niet wilde terugkeren zonder dat het boek af was. En in Uruguay werd mijn laptop gejat met het enige manuscript. Ik was met de laptop probleemloos door heel Zuid-Amerika getrokken, maar in Uruguay werd hij in het huis van mijn oma gestolen.”

In Montevideo wordt Carolina Trujillo ook geplaagd door hoofdpijnen. Op een gegeven moment krijgt ze een oog nauwelijks nog open. „Door het gebruik van cocaïne ben ik mogelijk onderuit gegaan.” Ze heeft een aneurysma, een uitstulping aan de wand van een hersenslagader die leidde tot een hersenbloeding. „In Uruguay behandelen ze dit door je schedel te lichten. Dat leek me geen fijn idee. Ik wilde naar Nederland, omdat ze daar via een slangetje bij je lies naar binnen gaan en met draadjes de bloedtoevoer naar die uitstulping afsluiten. Op Kerstavond 2005 vloog ik naar Amsterdam. Het was de enige vlucht met plek, niemand wilde Kerstavond vliegen. Ik heb twee weken in het ziekenhuis in Amsterdam gelegen tot ze het bobbeltje vonden.”

In uw boek gaan alle kinderen van de Tupamaros ‘naar de kloten’.

„Ik heb een aantal vrienden in Uruguay die behoorlijk naar de kloten zijn. Ik weet niet of mijn lotgenoten relatief meer problemen hebben. Maar volgens alle psychologen is het opgroeien in een onrustig nest niet bevorderlijk voor het ontwikkelen van een stabiele persoonlijkheid. Het verliezen van sleutelfiguren, het kwijtraken van je kamertje met speelgoed, het is niet goed.”

Heeft u er last van dat u een Tupamaroskind bent?

„Ik heb me in drie jaar bijna doodgesnoven en dat bewijst dat ik geen stabiele persoonlijkheid ben. Af en toe gebeuren er dingen die voor de buitenwereld misschien niks betekenen, maar bij mij heel hard aankomen. Mijn zus, die ook in Nederland woont, heeft twee kinderen. In 2003 zei ze me dat zij als moeder nooit de guerrilla zou zijn ingegaan. Ik had mijn ouders altijd als helden gezien. Ik besefte wel dat ze niet alleen maar Batman en Batgirl waren, maar vanaf toen ging ik me afvragen of mijn ouders wel verantwoordelijk hadden gehandeld.”

„Ter verdediging kun je zeggen dat ze pas 22 jaar waren toen ze zich bij de Tupamaros aansloten. Toch raakte ik danig van slag toen ik in hun verleden ging wroeten. Het werd niet de beste periode van mijn leven. Mijn ouders willen graag dat ik in therapie ga. Omdat ze zien dat er fases zijn in mijn leven dat ik alles vernietig wat ik net heb opgebouwd.”

Zelfdestructie?

„Ik denk dat ik soms een heel destructieve aard heb. Het vele reizen heeft ook daarmee te maken. Elke keer als het goed gaat, bijvoorbeeld omdat er een boek uitkomt en ik weer een prijs win, dan gaat Careltje, zoals ze me noemen, weer naar een land waar niemand haar kent.”

Half schertsend zegt ze later dat ze zich dan ook grote zorgen maakt als ze straks eventueel 50.000 AKO-euro’s heeft stuk te slaan. „Als ik win, ben ik ten dode opgeschreven.”

Op uw website staat de leus: la terapia continúa, als variatie op de strijdkreet van de Tupamaros: la lucha continúa, de strijd gaat door.

„Dat is meer een grapje. Op de wc-deur van de filmacademie stond: elke goed afgesloten therapie is een niet afgemaakte film. En dus ook een niet geschreven boek. Daar ben ik het mee eens.”

Zou u als polderlatina ook een roman over Nederland kunnen schrijven?

„Ik denk het niet. Op de filmacademie probeerde ik al een verhaaltje te schrijven over mensen die altijd op dezelfde plek hadden gewoond, maar dat werd niks. Je moet schrijven over dat wat je kent.”

Maar u hebt tweederde van uw leven in Nederland gewoond.

„Ja, maar je ziet het wel bij meer schrijvers. Er is een fase in je leven die een bepaalde imprint nalaat. Het lijkt wel of daaruit alle verhalen voortkomen. Ergens in je leven is een bron waaruit je waarschijnlijk eindeloos kunt putten. Het is typisch iets voor schrijvers in ballingschap. Mario Benedetti schreef vrijwel steeds over Uruguay, terwijl hij veel buiten zijn geboorteland woonde. García Márquez schreef over plekken uit zijn jeugd in Colombia, terwijl hij voornamelijk in Mexico en Spanje verbleef. Mijn volgende boek zal zich wederom in Zuid-Amerika afspelen. Dat was voor het verhaal strikt genomen niet nodig, maar ik schrijf liever over dat werelddeel. Daar zie ik veel meer verhalen.”

En dus volgt de zelfverklaarde ‘nationalist van niks’ ook in Nederland de gebeurtenissen in Montevideo op de voet. Afgelopen zondag bekeek ze ’s nachts met vrienden in een kraakpand via internet de tv-uitzending over de presidentsverkiezingen in Uruguay (drie miljoen inwoners en twaalf miljoen koeien). De 74-jarige José Mujica, een ex-Tupamaro die veertien jaar gevangen zat, kreeg bijna 50 procent van de stemmen. Hij maakt een grote kans volgende maand in de tweede ronde tot president te worden gekozen. Een voorstel om de amnestiewetten in te trekken zodat misdadigers uit de juntatijd alsnog kunnen worden vervolgd, haalde het niet.

Wordt dit niet de ultieme wraak: een Tupamaro als president?

„Het kan mij niet schelen of een Tupamaro president wordt. Ik vind het alleen heel belangrijk dat die snertwet verdwijnt en dat de beulen eindelijk kunnen worden bestraft. Het is toch schandalig dat mensen, van wie ouders en kinderen vermist zijn, niet te horen krijgen wat er is gebeurd? Dat is voor mij een reden om mijn Uruguayaanse paspoort op marktplaats te zetten.”