Zweven in het zalige, zachte niets

Dat een roman onthutsende bevindingen kan opleveren, bewijst Conny Braam. Zij deed onderzoek naar cocaïne, tijdens en na WOI.

Conny Braam: De Handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek. Nieuw Amsterdam, 416 blz. € 19,90.

Tijdens WOI werd voor het eerst geëxperimenteerd met chemische wapens, nadat genoegzaam was gebleken dat gewoon schieten en bombarderen de strijdende partijen geen stap verder brachten. De Duitsers bestookten de Engelsen en de Fransen in het voorjaar van 1915 bij Ieper met chloorgas, waarna de Fransen terugsloegen met fosforgranaten. Aanvankelijk vonden de generaals het gebruik van zulke ‘onmenselijke’ wapens onaanvaardbaar, maar toen de effectiviteit was bewezen, was het hek van de dam.

Minder bekend, bij mij althans, was dat pal achter het front ook veelvuldig gebruik werd gemaakt van chemische middelen. Conny Braam schrijft erover in haar nieuwe roman De Handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek. Zij deed uitgebreid onderzoek naar de productie en verspreiding van cocaïne en kwam tot interessante en ook tamelijk onthutsende bevindingen. Naast rats, kuch en bonen kregen de soldaten in de veldhospitalen en in de loopgraven op grote schaal cocaïne aangeboden. Als ze een spuitje hadden gekregen of een pil of een snuif hadden genomen, konden ze de pijn en de angst weer even de baas. Ze werden er strijdlustig en overmoedig van, zodat menig soldaat het vijandelijke vuur ongedekt tegemoet snelde.

De soldaten die deze barre oorlog wisten te overleven, keerden niet alleen met trauma’s en verwondingen terug naar huis, maar vaak ook met een ernstige cocaïneverslaving. Spijtig voor hen, maar gunstig voor de farmaceutische industrie, want zij behield met dit naoorlogse leger van verslaafden een flinke afzetmarkt. Het is pikant dat een behoorlijk percentage van die cocaïne afkomstig was uit een Nederlandse fabriek, die ooit gevestigd was aan de Weespertrekvaart in Amsterdam. Het is ook pikant dat deze fabriek niet alleen leverde aan de geallieerden, maar eveneens, vanuit het neutrale Nederland, aan het Duitse leger.

Op basis van deze opmerkelijke gegevens schreef Braam een avontuurlijke zedenroman, waarin de cocaïnekwestie van verschillende kanten wordt bezien. We maken kennis met enkele verslaafden die beurtelings aan wanhoop en razernij ten prooi zijn als ze te lang verstoken blijven van hun poeder. We zien ogenschijnlijk onkreukbare overheidsfunctionarissen die de opiumwetgeving steeds soepel in hun eigen voordeel weten om te buigen. We ontmoeten een fabrieksdirecteur die steeds beweert dat hij alleen maar betrouwbare handelspartners wil, maar die vervolgens rustig in zee gaat met dubieuze firma’s die alleen op papier bestaan. Interessant is ook de gepensioneerde farmaceut die gekweld wordt door gewetenswroeging nu hij onder ogen moet zien hoeveel mensen te gronde zijn gericht door zijn product.

Een bijzondere rol is weggelegd voor de cocaïneverslaafde Britse onderwijzer met het half weggeschoten gezicht, die ooit zicht had op een zonnige toekomst. Toch gloort er aan het eind enige hoop voor de veelgeplaagde jongeman, zelfs op een heuse romance. De mooiste rol is voor de handelsreiziger uit de titel, die orders in de wacht moet slepen voor de cocaïnefabriek. Op hem liet Braam al haar psychologische vernuft los. Hij ontwikkelt zich in de loop van de roman, behoorlijk overtuigend, van een ijdele, spilzieke rokkenjager tot een man met voorzichtig vooruitstrevende standpunten en oog voor de medemens.

Een onbetwist meesterwerk is De Handelsreiziger intussen niet. Daarvoor is het boek net iets te dik, te omslachtig, te uitleggerig, te gemeenplaatserig en ook wat te slordig. ‘Zijn blik kreeg iets meewarigs’, staat er dan, waar duidelijk zoiets als ‘treurigs’ is bedoeld. Of: ‘diens preutse mondje’, waar ‘haar preutse mondje’ had moeten staan. Braam heeft de neiging haar zinnen vol te proppen. ‘Hij werd beslopen door een verontrustend voorgevoel’, lezen we. Of: ‘Toch was het alsof groot onheil met een enorme vaart op hem toesnelde.’ Of: ‘Haar blanke huid zonder enige imperfectie was als uit marmer gehouwen.’

Toch heeft deze roman ook de typische Braam-kwaliteit die we kennen uit haar vorige boeken, zoals De woede van Abraham (2000), het eerste deel van een trilogie over een familie in IJmuiden, of de roman Zwavel, die in 1997 werd genomineerd voor de Gouden Strop. Braam heeft een frisse, enthousiaste manier van vertellen, die benieuwd maakt naar het vervolg. Daardoor blijft De Handelsreiziger spannend tot de laatste bladzijde.

En af en toe, bij vlagen, weet ze stilistisch boven zichzelf uit te stijgen. Een passage die mij zal bijblijven, is die over de Britse onderwijzer aan het front in Vlaanderen. Hij heeft zijn angst gedempt met een paar cocaïnepillen. Hij rent de loopgraaf uit om de vijand voor eens en voor altijd te verslaan. Hij draaft voort door de modder, ziet en passant een man liggen zonder voeten, struikelt over gewonden en stervenden, brengt met zijn bajonet nog even iemand de genadestoot toe en wordt dan ineens vol getroffen tegen zijn hoofd. ‘Hij werd rond geslingerd, maakte een salto, probeerde zich aan de lucht vast te grijpen en zag zijn benen met zijn laarzen boven zich zwaaien. Eindeloos zweefde hij door de lucht en daalde langzaam neer als een pluisje van een paardebloem in de tuin van pa als het voorjaar was.’ Hij blijft liggen in de zachte modder en ziet dan, in de stilte, zijn leerlingen voor zich. ‘Ze zaten nog in het klaslokaal, maar de kinderen keken hem verheugd aan. De ochtend zat erop, even geen les, even rust, tijd voor het speelkwartier.’ Zijn toekomst is dan al in flarden geschoten, maar in het kwartier pauze tussen de ene toestand en de andere, kan hij zich nog even wentelen in een zalig, cocaïne-overhuifd niets.