Zeeman zijn op eigen kosten

Niet zijn naam maar de titel van zijn roman ‘Lord of the Flies’ werd beroemd. Hoe groot is de kans dat William Golding zelf – én de rest van zijn rijke oeuvre – wordt herontdekt?

William Golding, in 1983 Foto AFP This 06 Oct 1983 file photo shows British Nobel Prize-winning author William Golding, who died at Falmouth, Cornwall 19 June, 1993 at the age of 81. Golding's most famous novel is the "Lord of the Flies." AFP

John Cary: William Golding. The Man Who Wrote Lord of the Flies,Faber, 572 blz. € 27,25

De ondertitel staat er niet voor niets bij op de biografie van Golding door John Cary: zo weet iedereen ten minste meteen over wie het gaat. Het is vaak gebleken dat van de miljoenen lezers die Lord of the Flies kennen, en van de net zovelen die er de filmversie hebben gezien, de meesten de naam van de auteur vergeten zijn. Het verhaal van de jongens die op een onbewoond eiland een eigen gemeenschap organiseren is een van de bekendste van de literaire (te onderscheiden van de populaire) literatuur van de 20ste eeuw, verschenen in 1954; de naam William Golding kennen nog maar weinigen. En dat terwijl hij in de daarop volgende veertig jaar nog tientallen andere romans geschreven heeft die, hoewel niet steeds herdrukt, lang niet verjaard zijn: van The Inheritors, The Pyramid, Darkness Visible, Rites of Passage, en een reeks andere tot The Double Tongue vlak voor zijn dood in 1993. Intussen heeft hij ook de Nobelprijs gekregen in 1983, en een knighthood in 1988: Sir William Golding.

Er bleef toch iets half beroemds aan hem kleven. Toch zou hij nauwelijks worden opgemerkt in een gezelschap, zoals bijvoorbeeld Graham Greene – een passende vergelijking want die was een veelbesproken rivaal in 1983, samen met Anthony Burgess en Nadine Gordimer en Günter Grass. Misschien kwam dat minder doordat Greene zo veel belangrijkers te vertellen had dan doordat hij een aanzienlijker verschijning was dan de gedrongen baardige Golding, en ook doordat het meeste van zijn werk zich beter liet filmen.

Het zou in het gewoel van de letteren, twintig jaar later, niet goed te doen zijn om vast te stellen wie eigenlijk belangrijker was, én gebleven is: Golding zwaarder en indringender, Greene vaak soepeler en grappiger; daarmee zijn we er nog lang niet, zonder herlezing van hun voornaamste werken.

Biograaf Cary helpt nauwelijks bij de nadere waardebepaling van Golding. Hoe geleerd hij ook is als emeritus hoogleraar van Oxford, hij rekent in deze biografie de literaire kritiek niet tot zijn eerste taken. Dat is best te rechtvaardigen, en dat zou het nog meer zijn als hij niet van ieder van de romans een reeks waarderingen door recensenten in het kort aanhaalde. Al zijn die gegevens ter zake – zeker bij Golding die erg gevoelig was voor beoordelingen in de pers – ze zijn maar een nonchalant middel om de lezer te laten meedenken en meeleven.

Eigenlijk is Cary’s biografie niet op zijn best wanneer hij over de boeken en de vele reisverslagen gaat. Golding was dol op reizen, en maakte er met zijn vrouw Ann, met wie hij getrouwd was in 1939 en die hem een paar jaar overleefde, ieder jaar verscheidene, soms om ontdekkingen te doen, of om gewoon rond te kijken als moderne toeristen. Is de relatie met Ann dan grondiger behandeld dan die met de boeken? Dat ook weer niet. Het was zo te zien een vast huwelijk met een goede dosis ruzie, een enkele keer een uitbarsting zoals in de periode toen Golding een nieuwe relatie leek te ontwikkelen met de Canadese studente Virginia Tiger, en een aannemelijke dosis bemoeienis met wat hij beter wel en liever niet moest schrijven.

Standsverschil

Er zijn twee thema’s die los van de boeken, van de reizen en van de gezinsproblemen, veel lezers in de herinnering zullen blijven. Het ene is het standsverschil, door buitenlanders vaak als een onontkoombaar Engels probleem beschouwd en in het geval van Golding inderdaad nooit overwonnen. In Cornwall waar hij geboren was, had hij er nog geen last van, maar later op zijn dagschool in Marlborough kon hij er niet aan ontkomen, omdat aan de overkant van de straat Marlborough College lag en hij dagelijks het zicht had op de kostschooljongens daar. Vervolgens was hij er zich ook steeds van bewust toen hij in Oxford op Brasenose College kwam, waar hij voelde dat er op hem neergekeken werd. Hij kwam nooit los van dat gevoel, ongeacht zijn aanzien als schrijver later.

Het andere thema dat de lezer niet zal vergeten is dat van de zeevaart, te splitsen in een militair en een sportief deel. In WO II deed Golding vijf jaar dienst in de Marine, eerst als gewoon matroos en tenslotte als officier. Veel van die tijd bracht hij door op de Atlantische Oceaan waar de U-boten vlak onder het oppervlak scholen.

Walcheren

In 1944 was hij bij de invasie commandant op een landingsvaartuig. Aan de vooravond van de landing was hij een eind te ver naar het westen doorgeschoten en moest hij zijn schip eenzaam door de nacht naar Arromanches varen. ‘Ik stond op het dek en was minder bang voor de mijnen en de kustbatterijen dan voor de kans dat wij te laat zouden komen.’ Die nacht blijft in de herinnering, niet alleen van hemzelf, ook van de lezer. Drie maanden later nam hij deel aan de landing op Walcheren, die hij eveneens adembenemend beschreven heeft.

Na de oorlog bleef Golding een zeeman op eigen kosten in zijn vrije tijd. Hij was toen niet zo rijk als hij later werd (hij kocht zijn laatste huis in 1985 voor tweehonderdduizend pond) en de zeewaardigheid van zijn eerste twee jachten was maar geïmproviseerd. Het derde, in Nederland gekocht in 1967, was degelijker verbouwd, maar dat verhinderde niet dat het op zijn eerste vakantiereis in het Kanaal in een ochtendmist zonk na een botsing met een Japanse tanker die de eigenaar en zijn familie net kon redden.

Zulke spannende avonturen ter zee heeft Golding later niet meer beleefd, en zijn biografie gaat verder over de vele romans die hij nog schreef, de vele vakanties die hij nog nam en de vele lezingen die hij hield. Hij was een onvermoeibare man en een onuitputtelijke schrijver. Het zou mooi geweest zijn als Cary ons van zijn boeken in de veertig jaar na het overheersende debuut een sterkere indruk had gegeven, zodat zij meer lezers aantrekken dan de laatste jaren het geval lijkt te zijn geweest. The Inheritors, The Spire in ieder geval, en dan Rites of Passage, Close Quarters en Fire down below, de trilogie waarmee hij in zijn laatste jaren op papier naar de zee terugkeerde – die zullen in ieder geval herlezen moeten worden, als iemand nog eens de tijd vindt om de 20ste-eeuwse Engelse roman te doen herleven. En Lord of the Flies dan? Dat hoeft dan niet.