Wiskundigen wijzen lopers de weg

Steeds meer mensen lopen anno 2009 hard. Vooral vrouwen onder de dertig. Logisch gevolg: de recreatielopen bereiken de grenzen van hun groei.

De hardlopende vrouw is sterk in opkomst. Een vaststelling die aansluit bij het straatbeeld, maar nu ook met cijfers wordt onderbouwd. Uit onderzoek van de wetenschappers Maarten van Bottenburg en Paul Hover bij de tien grote loopevenementen in Nederland blijkt onmiskenbaar een toename van vooral jonge vrouwen. De verhouding man-vrouw onder de dertig jaar is 56 versus 40 procent, tegenover 85 versus 15 procent in de categorie 30 tot 55 jaar.

Boven de 55 jaar neemt de animo om te hardlopen onder vrouwen snel af. Dan is nog maar zeven procent van de deelnemers aan die tien grote loopevenementen een vrouw. De wat oudere mannen doen het met 16 procent aanzienlijk beter. Naar de oorzaak blijft het gissen, omdat Hover, senior onderzoeker van het W.J.H. Mulierinstituut, en Van Bottenburg, naast zelfstandig onderzoeker ook bijzonder hoogleraar Sportontwikkeling en lector Sportbusiness, dat aspect er niet hebben uitgelicht.

De hollende vrouw wordt pas de laatste decennia maatschappelijk geaccepteerd. Tot de jaren zeventig werd een vrouw op hardloopschoenen meewarig of afkeurend bekeken. En minder dan veertig jaar geleden werden vrouwen geweerd bij marathons. Toen de Amerikaanse Katherine Switzer in 1967 een startbewijs voor de Boston Marathon had weten te bemachtigen – door zich als K.V. Switzer in te schrijven en niet haar geslacht te vermelden – trachtten officials haar uit de race te halen, wat werd verhinderd door haar vriend. Vijf jaar later werden vrouwen pas officieel tot de Boston Marathon toegelaten.

Tegenwoordig worden de vrouwen allerminst genegeerd. Sterker, de vrouw is voor organisatoren van loopevenementen een dusdanige interessante groep dat er afzonderlijke lopen voor worden georganiseerd. De Marikenloop in Nijmegen is daarvan al zeven jaar het beste voorbeeld. Maar ook de zogenoemde Ladies Runs zijn bezig aan een opmars, van Amsterdam tot Rotterdam, van Zeeland tot Groningen en van Zandvoort tot Tilburg.

De vrouwen dragen in belangrijke mate bij aan voortzetting van de tweede loopgolf, die eind jaren negentig is ingezet. Daarvoor was er zo’n vijftien jaar een periode van stagnatie, nadat het taboe op hardlopen in de publieke ruimte eind jaren zeventig, begin jaren tachtig was verdwenen. De Amerikaan George Sheehan geldt als de pionier die hardlopen op straat begin jaren zestig salonfähig heeft gemaakt. Pas nadat zijn tuin te klein werd als oefenterrein durfde hij de straat op, wat hem op publieke hoon kwam te staan van voorbijgangers die hem uitlachten en automobilisten die naar hem toeterden.

Het gaat te ver om van een hype te spreken, maar de cijfers tonen aan dat het aantal joggers, trimmers en hardlopers – hoe ze ook mogen worden gekwalificeerd – spectaculair blijft groeien. De acht procent van de bevolking die in 1999 recreatief hardliep, groeide in 2003 tot twaalf procent en steeg in 2007, zo blijkt uit het onderzoek van Hover en Van Bottenburg, naar achttien procent. En het plafond lijkt nog niet bereikt.

Dat beeld bevestigt eerder onderzoek, bijvoorbeeld van marktonderzoeksbureau Synovate onder 3.500 recreatielopers uit zeven verschillende landen. Daaruit bleek dat 32 procent van de Nederlandse deelnemers aan georganiseerde lopen een jaar ervoor met trainen was begonnen. Dat percentage lag hoger dan in de andere landen, waardoor Nederland een relatief ‘jong’ hardloopland mag worden genoemd. En volgens Hover en Van Bottenburg is van die groep meer dan negentig procent niet voornemens te stoppen. Evenementenlopers zijn geen incidentele lopers.

Het profiel van de gemiddelde deelnemer aan de grote Nederlandse loopevenementen is grofweg te betitelen als: autochtone man of vrouw tussen de 30 en 55 jaar, die hoog is opgeleid en betaalde arbeid verricht. De recreatieloper is dus een drukbezet mens die kiest voor een sport met flexibele trainingstijden. En wat verder opvalt: maar elf procent van de deelnemers is allochtoon.

Over de organisatie van loopevenementen zijn de deelnemers ronduit lovend. Als rapportcijfer geven zij een 8,4, wat door onderzoeker Hover uitzonderlijk wordt genoemd – „dat is niet presteren, maar excelleren.”

Recreatielopers, zo blijkt uit het onderzoek, zijn allerminst voorspelbare mensen. Zo laat zestig procent zijn keus voor een loop bepalen door de sfeer tijdens het evenement en storen weinigen zich aan (de hygiëne van) toiletgelegenheden of de loopruimte op het parkoers.

Dat laatste is opmerkelijk, omdat Hover en Van Bottenburg eveneens vaststellen dat de grenzen van de groei in zicht komen. Parkoersen zijn over grotendeels openbare wegen uitgezet en die kunnen simpelweg niet verbreed worden. De meeste organisaties hanteren intussen een deelnemerslimiet en in enkele gevallen worden wiskundigen ingezet om een vlotte doorstroom van lopers te bewerkstelligen.

Hoewel flexibiliteit belangrijk is bij de keus voor hardlopen, hebben veel recreanten de bereidheid zich te binden aan een atletiekvereniging. Volgens Hover en Van Bottenburg is er onder deelnemers aan grote lopen een potentie van ongeveer 40.000 nieuwe leden van de Atletiekunie. Een deel bereidt zich al voor in onafhankelijke loopgroepen. Mocht de bond erin slagen die lopers te binden dan zou het aandeel leden van de Atletiekunie bij de tien grote recreatielopen van 25 naar 60 procent groeien.