Wie is er bang voor China?

Naarmate de klimaattop in Kopenhagen dichterbij komt, worden de kansen op succes kleiner. Volgens een pact dat China en India vorige week sloten zullen deze twee landen, die respectievelijk nummer één en vier staan op de lijst van grootvervuilers, geen plafond aan de CO2-uitstoot accepteren. De leiders van deze snel opkomende jumbo-economieën stellen zich op het standpunt dat de westerse landen een bijzondere historische verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van de CO2-uitstoot.

Een akkoord zonder harde toezeggingen van China en India om een bijdrage te leveren aan de CO2-reductie is niet denkbaar. Het energieverbruik in China is het afgelopen decennium jaarlijks met meer dan 10 procent gestegen. Als de Chinese economie het komende decennium jaarlijks met gemiddeld 8 procent groeit (in het meest recente kwartaal kwam de groei uit op 8,9 procent), dan zal het energieverbruik in 2020 in China 150 procent hoger zijn dan nu het geval is.

Tijdens de VN-klimaattop, vorige maand in New York, verkondigde de Chinese president Hu nog dat China zich zou committeren aan een CO2-intensiteit doelstelling. China zou dan de hoeveelheid CO2 in verhouding tot het nationaal product verlagen, zonder daarbij een concreet percentage te noemen. Yvo de Boer, hoofd van het VN-klimaatbureau die de top in Kopenhagen voorbereidt, zei opgetogen dat hij verwachtte dat China zo wereldleider zou worden in de strijd tegen klimaatverandering.

De opgetogenheid van De Boer is opmerkelijk. Zoals ik in mijn column ‘De groene (r)evolutie’ (Opiniepagina, 21 augustus) voorrekende, is de CO2-uitstoot per verdiende dollar (gemeten in koopkrachtpariteit) in China twee keer zo hoog als de CO2-uitstoot per verdiende dollar in Amerika. Een groot deel van de economische groei in het afgelopen decennium in China is gerealiseerd in de industriële sector, terwijl in India het grootste deel van de groei in de dienstensector is behaald.

Door het accent van de toekomstige groei te laten verschuiven van de industriële sector naar de dienstensector, kan China de CO2-uitstootintensiteit terugdringen zonder ook maar één milieubesparende maatregel door te voeren. Het ligt zelfs voor de hand dat ook zonder de klimaattop in Kopenhagen de CO2-uitstootintensiteit van China’s productie vanzelf zal verminderen. Het belangrijkste gegeven van Hu’s toespraak vorige maand voor de VN is dan ook dat China zich niet committeert aan enig plafond voor de uitstoot van CO2.

Maar niet alleen de chef van het VN-klimaatbureau pakt China met fluwelen handschoenen aan. In dezelfde week dat het Nobelprijscomité bekendmaakte dat Barack Obama de Nobelprijs voor de Vrede had gewonnen, weigerde het Witte Huis een ontmoeting te arrangeren tussen de Amerikaanse president en de dalai lama, die toevallig in Washington DC was om een mensenrechtenonderscheiding van het Amerikaanse Congres in ontvangst te nemen.

De Amerikaanse strategie om de banden met China aan te halen houdt ook in dat kritiek op de mensenrechtensituatie wordt ingeslikt. Op haar eerste reis als minister van Buitenlandse Zaken naar Peking zei Hillary Clinton letterlijk dat mensenrechten niet moeten worden gemengd met de aanpak van de economische crisis. Dat is extra opmerkelijk omdat Clinton tijdens haar recente bezoek aan Moskou het recht op vrije meningsuiting juist benadrukte en handhaving van mensenrechten essentieel noemde voor vooruitgang.

In een rapport aan het Amerikaanse Congres, eerder deze maand, merkte minister van Financiën Timothy Geithner op dat China in de zomer van 2008 de eigen munt weer heeft gekoppeld aan de dollar. De renminbi is sindsdien verder gedeprecieerd ten opzichte van andere munten dan de dollar, waardoor China’s concurrentiepositie verder is verbeterd. Terwijl economieën wereldwijd kampen met overcapaciteit, blijft de daling van de export in China beperkt, omdat het land zijn marktaandeel in de exportmarkten weet te vergroten.

In de eerste zes maanden van 2008 kwam minder dan 15 procent van de Amerikaanse import uit China. Over de eerste zes maanden van dit jaar was dat 19 procent. Het aandeel van China in de meubelimport van de VS is in een jaar tijd gegroeid van 50 tot 54 procent, terwijl de meubelexport van Canada en Italië naar de VS gedaald is met 40 procent ten opzichte van een jaar geleden. Door koersmanipulatie steelt China feitelijk de banen van landen die hun munt wel vrij laten zweven. Toch durfde Geithner niet van koersmanipulatie te spreken (ter gelegenheid van zijn confirmation hearing voor het Amerikaanse Congres in januari deed hij dat nog wel). Had Geithner die beschuldiging herhaald, dan had het Amerikaanse Congres sancties tegen China kunnen afkondigen.

Ook centralebankpresident Ben Bernanke sprak in omfloerste woorden tijdens een conferentie vorige week maandag in Santa Barbara over Azië en de financiële crisis. De wereldwijde onbalans tussen besparingen en investeringen, weerspiegeld in grote handelstekorten en -overschotten, waren mede de oorzaak van de financiële crisis en moesten worden gecorrigeerd, aldus Bernanke. Maar volgens Nobelprijswinnaar Paul Krugman bedoelde de centralebankpresident te zeggen: „China, hou eens op dollars op te potten. Het is tijd om je munt op te waarderen.”

Waarom durft niemand China onder druk te zetten om van de op export gebaseerde groeistrategie af te stappen? Veel Amerikaanse beleidsmakers denken dat ze het risico niet kunnen nemen uit vrees dat China de Amerikaanse schuldenlast niet langer zal willen financieren.

Krugman wijst erop dat het voor de Verenigde Staten juist gunstig zou zijn als China een deel van de dollars van de hand deed. De lagere dollarkoers zou de Amerikaanse economie stimuleren en meteen bijdragen aan het herstel van het evenwicht in de wereldeconomie.

Maar ach, iedereen is bang voor China.

Reageren kan op nrc.nl/mees. (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)