We speelden wat met een doorgeladen pistool

Koos van Zomeren: Die stad, dat jaar. De Arbeiderspers, 352 blz. €19,95

Eén ding was zeker: de revolutie komt. ‘Morgen kan het gebeuren en wat is er dan mooier dan vandaag al aan de goede kant staan?’ Koos van Zomeren herinnert zich nog goed de blijde opwinding bij de oprichting van de Socialistiese Partij. Tegelijk herinnert hij zich de hardvochtigheid, van hemzelf en van zijn kameraden; de keiharde oordelen over de burgerlijke maatschappij, over de sociaal-democraten (die redders van het kapitalisme) en over elkaar. In de kleine maoïstische splinterbeweging was het lang niet altijd gezellig. Zacht gezegd. En toch denkt Van Zomeren vooral ook met weemoed terug aan die eerste SP-dagen, zo blijkt uit het boek dat hij 37 jaar na dato over het oprichtingsjaar schreef.

Van Zomeren was niet zomaar lid. Hij was ‘propagandasecretaris’, hoofdredacteur van het partijblad, lid van SP’s politburo en zelfs gemeenteraadslid. Zoals hij zelf schrijft: naast partijleider Daan Monjé kon je in de partij niet verder stijgen.

Het boek bestaat uit twee door elkaar gevlochten delen. Eén is een roman, over een jongen, geen SP-lid, die met jonge SP’ers in één huis woont. Het ander bevat aantekeningen. Van Zomeren maakte ze tijdens gesprekken met oud-kameraden en tijdens het herlezen van partijbladen, boeken en dagbladen uit 1972. In beide delen krijgt de lezer een beeld van twintigers die studie en werk opgeven om in fabrieken te werken, die ’s avonds langs de deuren gaan met het partijblad, die tafeltennissen (Chinese greep!) en elkaar uitentreuren het dialectisch- materialisme uitleggen. Met één noemenswaardige toevoeging aan die leer van historische onvermijdelijkheid: de waarheid is wat de partij dient. Dat leidt tot taferelen die de kwalificatie kolderiek zouden verdienen als ze niet zo dodelijk zouden hebben uitgepakt op grotere schaal, duizenden kilometers verderop. ‘Alsof we hebben gespeeld met een doorgeladen pistool’ schrijft Van Zomeren.

Spel en ernst liggen dicht bij elkaar. Hardop denken de jonge leden na wat te doen met hun burgerlijke ouders, als de dictatuur van het proletariaat is aangebroken. In een lofrede op een partijcongres stelde Van Zomeren partijleider Monjé op één lijn met Marx, Lenin, Stalin en Mao. Een partijlid dat kampt met huwelijkse perikelen meent dat zijn vrouw, ook partijlid, werkt voor de CIA. ‘Je zou zeggen dat ze de partij net zo was toegedaan als hij, maar ze hinderde hem bij zijn werk; objectief gezien werkte ze voor de CIA.’

Alles en iedereen kreeg het oordeel goed of fout. Vier jaar later heeft Van Zomeren er genoeg van. In 1982 laat hij in de roman De witte prins ene Fiege zeggen: ‘Zo’n partij is funest voor je persoonlijkheid.’ Nu schrijft Van Zomeren dat de partij hem ‘was gaan tegenstaan’. En hij voegt daar aan toe: ‘eerder fysiek dan ideëel’.

Dat roept om uitleg, juist omdat de ideeën nu zo verkeerd klinken; die kameraadschap is nog wel te begrijpen. Maar dit boek geeft die uitleg nauwelijks. Van Zomeren ziet dat zelf ook. ‘Ik kan niks met mijn partijverleden’, concludeert hij. Het blijft ‘onbeweeglijk en onverklaarbaar’.

Maar dat valt mee. Dat partijverleden biedt een fascinerende context voor een roman, zo blijkt uit de fictieve passages van het boek. Tegelijk geven de lange, met herhalingen doorspekte aantekeningen Van Zomeren gelijk, want die stellen teleur. ‘Koos is bezig een partij te bestrijden die zijn eigen creatie was’, zei Jan Marijnissen eens, kopstuk van de partij. Dat biedt hoop op antwoorden, of ten minste theorieën: hoe werkt het mechanisme van loyaliteit in een ideële sektarische beweging? Of: hoe span je samen tegen een onwelgevallig lid?

Maar niets van dat al in de aantekeningen. Van Zomerens ik-persoon vertelt daarin op keuveltoon op welk terras, met welk drankje en zelfs na welke route hij praat met oude kameraden. Die moeten vervolgens opvallend vaak hard lachen om zijn suffe grapjes. Vrijwel niemand neemt hem iets kwalijk, de inmiddels ‘beroemde schrijver’ die het aardig met zichzelf heeft getroffen. Zijn agitprop vindt hij zelf, ook in retrospectief, ‘voortreffelijk geschreven’. En over de oorlog in Vietnam had de SP gewoon gelijk; reden om dat gelijk nog eens bladzijdenlang te halen.

Het geluk is dat Van Zomeren kan schrijven. Met schijnbaar speels gemak loodst hij de lezer door 350 pagina’s. Maar dat laat onverlet dat hij die achterlaat zonder nieuwe inzichten of antwoorden. Een goed voorbeeld is het voormalige partijlid dat Van Zomeren verwijt hem uit de partij te hebben gewerkt. Van Zomerens reactie: ‘Nou, daar zul je me dan nu wel dankbaar voor zijn.’ Grappig bedoeld. Daar moet hij het mee doen, net als de lezer. Terwijl een serieuze behandeling van zo’n verwijt dit onderhoudende boek relevantie had kunnen geven. En wellicht een glimp van de ongure werkingen van de macht.