Uiteindelijk boetten de boeven

Elf jaar geleden ging in het Noord-Ierse Omagh een bom af, met verschrikkelijke gevolgen. Onlangs zijn de daders eindelijk veroordeeld.

Ruth Dudley Edwards: Aftermath. The Omagh Bombing and the Families’ Pursuit of Justice. Harvill Secker, blz. Prijs € 18,-

Omagh, een stadje van 18.000 zielen 70 kilometer ten westen van Belfast, werd elf jaar geleden een wereldwijd begrip. Op 15 augustus 1998 lieten republikeinse dissidenten op een drukke zaterdagmiddag aan het eind van de schoolvakantie in de hoofdstraat van Omagh een autobom ontploffen. Het was vier jaar nadat de IRA bekend maakte al zijn ‘militaire operaties’ op te schorten in ruil voor een politiek akkoord tussen Londen en Dublin over de toekomst van Noord-Ierland. De bom richtte een slachting aan: 29 mensen dood, vele tientallen gewond.

In juli 2009 schreven de nabestaanden van deze slachtpartij geschiedenis. Deze groep mensen creëerde een precedent voor alle slachtoffers van terrorisme. Met gevaar voor eigen leven bleven ze, met behulp van advocaten, de paramilitairen achtervolgen. Ze wonnen een civiele procedure tegen vijf daders en de Real IRA (RIRA) die werd afgeschilderd als onhaalbaar. De rechtbank in Belfast hield vier RIRA-leden persoonlijk verantwoordelijk voor de aanslag. De rechter kende een schadevergoeding van 1,6 miljoen pond toe, genoeg om de vier levenslang financieel te laten boeten.

Eerdere pogingen de daders te veroordelen waren stukgelopen. Dat lag gedeeltelijk aan strafrechtelijke onvolkomenheden en aan de onwil van de politie en inlichtingendiensten aan weerszijden van de Ierse grens om hun dossiers openbaar te maken of met elkaar samen te werken. Maar het lag vooral aan wat de nabestaanden ervoeren als de huichelarij en onbetrouwbaarheid van politici, van de Amerikaanse president Clinton tot de Ierse premier Bertie Ahern en de Britse premier Tony Blair. De laatste twee reisden direct na de aanslag naar Omagh om steun te betuigen aan de slachtoffers en hel en verdoemenis uit te spreken over de daders. Maar uiteindelijk gaven ze niet thuis omdat het hun politiek beter uitkwam ‘het vredesproces’ te beschermen en daarmee hun eigen historische nalatenschap.

Als de architecten van het Belfast Akkoord, dat voorzag in een door alle partijen gedeeld zelfbestuur in Noord-Ierland, was er Blair en Ahern alles aan gelegen vooral de IRA-leiders Adams en McGuinness niet van zich te vervreemden. Dat die twee weigerden de eigen republikeinse kring op te roepen de politie te helpen bij het opsporen van de daders, werd daarom door Londen en Dublin getolereerd. Maar de nabestaanden beschouwden het als verraad. De IRA, de paramilitaire achterban van Adams-de-Sinn-Féin-politicus, handhaafde formeel sinds 1994 een wapenstilstand. Maar het was algemeen bekend dat de scheidslijn tussen leden van de IRA en die van de RIRA uiterst vaag was. Verder dan een verklaring dat de Omagh-aanslag ‘een tragedie in menselijk opzicht’ was, kwam de IRA ook niet.

In Aftermath. The Omagh Bombing and The Families’ Pursuit of Justice beschrijft de historicus Ruth Dudley Edwards in detail het verhaal van de aanslag en van degenen wier bestaan daardoor voorgoed veranderde. Ze begint met de ooggetuigenverslagen van de aanslag: de straat, vol ouders en kinderen, veranderde in een oogwenk in een slagveld, vol bloed en afgerukte ledematen. Een politieman vond een dode, maar gave baby in de etalage van een stoffenzaak. De aanslag ontzag niets en niemand: onder de doden waren katholieken en protestanten, Ieren, Engelsen en Spaanse scholieren die deelnamen aan een uitwisselingsprogramma. Een van de vrouwelijke slachtoffers was zwanger van een bijna voldragen tweeling – de belangengroep van de Omagh-nabestaanden spreekt daarom over 31 doden.

Dudley Edwards is een auteur die in eigen kring (Dublins middenklasse met een katholieke achtergrond) met achterdocht wordt bekeken. Enkele jaren schreef ze in This Faithful Tribe een portret van de Orange Order, dat naar de smaak van vele Ieren in de Republiek wel erg veel begrip toonde voor de stijfkoppige bolhoeden met hun protestante tradities. Maar bij het lezen van het gedetailleerde verslag dat Dudley Edwards geeft van de aftermath van de Omagh-aanslag kan een lezer niet anders dan partij kiezen voor de slachtoffers in het conflict. En dan gaat het niet om wat hun door de aanslag is afgenomen of aangedaan, maar vooral om de manier waarop de kern volhouders na achtenhalf jaar strijd gerechtigheid kreeg.

Natuurlijk ontstonden in de loop der jaren spanningen in de groep nabestaanden met zulke verschillende achtergronden. De leiders van de campagne werden ‘obsessief’ genoemd en als aandachtszoekers bestempeld. Sommigen gaven de strijd op, anderen scheidden, raakten aan de drank of emigreerden naar Australië. Bijna niemand van hen ging in 2008 naar de officiële, door de gemeenteraad georganiseerde herdenking van de tiende verjaardag van de aanslag. De reden was dat Londen en Dublin op ministerieel niveau politiek waren vertegenwoordigd en dat er ook tien Sinn Féiners aanwezig zouden zijn.

Dankzij een groep jonge advocaten uit Londen en een prominente pleiter, dankzij sympathisanten die met giften en campagnes miljoenen bijeenbrachten om de kostbare en ingewikkelde procedure te financieren en vooral dankzij die Omagh-volharders zelf die zich niet lieten intimideren door de dreiging met represailles van de Real IRA-diehards, voelen de slachtoffers van Omagh zich sinds 25 juli j.l. een stuk beter. Niet dat de zaak over en uit is. Een van de veroordeelden heeft hoger beroep aangekondigd. Maar het algemene gevoel werd vertolkt door de rechtbankmedewerker die na het vonnis tegen Dudley Edwards zei: ‘Elke dag zie je hier slechte mensen vrijuit gaan en dan besef je dat de wet en gerechtigheid niets met elkaar te maken hebben. Vandaag was anders.’