Praal van Maharadja maskeerde machtsverlies

Het Victoria and Albert Museum in Londen laat op een belangrijke tentoon-stelling de praal, pracht en tanende macht van de Maharadja’s in India zien.

Ze zijn synoniem met onmetelijke rijkdom en Oosterse pracht en praal, met decadentie ook. De Indiase maharadja heeft met name in de vorige eeuw dikwijls geen goede pers gekend. Noch in het buitenland, noch in eigen land, waar de ultrasobere vrijheidsstrijder Mahatma Gandhi velen meer aansprak dan de vadsige rijkaards die zo bereidwillig samenwerkten met de Britse koloniale heersers.

In die tijd was het verschijnsel maharadja – letterlijk ‘grote koning’ in het Sanskriet – echter al gereduceerd tot een lege huls, een façade waarachter nauwelijks meer enige macht schuil ging. De Britten lieten de maharadja’s naar hartelust spelen met hun Rolls Royces en hun juwelen van Cartier en Chaumet, zolang ze het landsbestuur maar aan hun overlieten.

Het Victoria and Albert Museum in Londen kijkt nu aan de hand van een indrukwekkende tentoonstelling terug op de Indiase maharadja’s sinds het begin van de achttiende eeuw. De belangrijkste dynastie van de twee eeuwen daarvoor, die van de Moghuls, was toen al op haar retour. Regionale potentaten grepen hun kans en vestigden eigen rijkjes, terwijl anderen de draad weer oppakten van bestaande vorstendommen. In de negentiende eeuw werden deze heersers steeds vaker aangeduid als maharadja’s. Sommigen waren hindoe, anderen moslim. Die laatste maten zich soms andere titels aan zoals ‘nizam’ of ‘nawab’.

Een maharadja kon niet zo maar zijn gang gaan, al had het daar vaak veel van weg. Hij werd geacht zijn onderdanen te beschermen, conflicten te beslechten, te zorgen dat het recht werd gehandhaafd en een goede militaire leider te zijn. En hij moest optreden als beschermheer van de kunsten. Op die laatste rol ligt de nadruk bij de tentoonstelling.

De oogst uit het tijdvak van de maharadja’s is indrukwekkend. Van de fraaiste gebruiksvoorwerpen zoals rijk versierde gewaden tot een fraaie zilveren draagstoel, waarin de maharadja op een olifant kon rijden, tot met edelstenen versierde ceremoniële zwaarden en juwelen. Ook is er een in Parijs vervaardigd bed van een negentiende eeuwse nawab, waarin 279 kilo zilver is verwerkt. Daarnaast zijn er veel schilderijen van scènes uit het leven van de maharadja. In Europese ogen maken die laatste, veelal aquarellen, ondanks hun rijke en kleurrijke versieringen vaak een nogal onbeholpen indruk door het gebrekkige gebruik van de leer van het perspectief.

Opvallend is het kwaliteitsverschil tussen veel van de latere schilderijen en twee afbeeldingen op de expositie uit de hoogtijdagen van de Moghuls rond 1600. Op die laatste geniet elk figuurtje een zekere individualiteit en ook in technisch opzicht zijn ze beduidend beter dan het werk van latere generaties kunstenaars.

Van een maharadja werd bovendien verwacht dat hij van tijd tot tijd zijn welstand toonde. Sommigen deden dat door zich te laten wegen en het equivalent van hun eigen gewicht in goud uit te betalen aan de armen. Ook hiervan is op de tentoonstelling een afbeelding te zien.

Een privéleven in de moderne zin van het woord kenden ze nauwelijks. Veel maharadja’s hielden er meer vrouwen tegelijkertijd op na en een enkeling liet zich zelfs afbeelden terwijl hij het minnespel bedreef met zijn favoriete vrouwen.

In de negentiende eeuw moesten de maharadja’s steeds meer macht afstaan aan de Britten. Die maakten militair de dienst uit en spraken recht. Ze dwongen de maharadja’s bovendien hun zoons onder Britse supervisie te laten opleiden, soms ook in Groot-Brittannië. Hadden de maharadja’s zich in de eeuw daarvoor nog vooral laten inspireren door de hofcultuur van de Moghuls, in plaats daarvan keken ze nu meer naar het Westen. De Britten moedigden hen aan Westerse luxevoorwerpen aan te schaffen. Dit lukte. De ‘maharadjamarkt’ groeide vooral na 1900 uit tot een belangrijk afzetgebied voor Europese, vooral Britse, artikelen. Rolls Royce teerde zelfs voor een deel op orders uit India.

Op hun beurt gingen de Britten in India zich gaandeweg als maharadja’s gedragen, deels omdat dat in het Subcontinent van machthebbers werd verwacht maar ook omdat ze de smaak steeds meer te pakken kregen. Zo organiseerden ze tot drie keer toe zogeheten durbars, kolossale ceremoniële evenementen. Ze lieten de spectaculaire processies, waarin de Britse onderkoning en een lange stoet maharadja’s op olifanten reden, vastleggen op enorme schilderijen.

Bij het vorderen van de tentoonstelling bekruipt de bezoeker een merkwaardige gedachte. Al die pracht en praal, al die mooie spullen van de maharadja’s vormen ondanks de schijn van het tegendeel immers geen teken van kracht maar van zwakte. Uiteindelijk waren het niet meer dan zoethoudertjes, zij het ongewoon mooie.

‘Maharaja’ is nog in het Victoria & Albert Museum in Londen t/m 17 januari 2010. Inl: www.vam.ac.uk