Op solotoer gaan is straks moeilijker

Wat gebeurt er met de Nederlandse ambassades als straks de EU ook een diplomatieke dienst krijgt?

Het biedt Den Haag in elk geval kans om te bezuinigen.

Hare Majesteits ambassadeur in Kampala, ook wel bekend als ‘onze man’ in Oeganda, zal die er straks nog zijn? Of die in Moskou? Wat heeft een Nederlandse ambassadeur daar nog te zoeken als de Europese dienst voor Extern Optreden volop functioneert?

Voor diplomaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag die dromen van een carrière in het buitenland, is het een troostrijke gedachte dat in Brussel voorlopig alleen nog maar moeizaam wordt gepraat over de vormgeving van de toekomstige Europese buitenlandse dienst. Zo’n dienst komt er namelijk, als de Tsjechische president als laatste het Verdrag van Lissabon ondertekent en daarmee het Verdrag van kracht wordt. Maar als ambassades van de Europese Unie ooit werkelijkheid worden, moet dat personele gevolgen hebben voor ambassades van de afzonderlijke lidstaten van de EU.

„Geen uitholling van Nederlandse ambassades”, zei minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) in de Tweede Kamer. Maar wat is uitholling? Het Nederlandse ‘postennetwerk’ kost jaarlijks 500 miljoen euro. De diplomatieke dienst is dan ook één van de uitgavenposten die in het kader van de aangekondigde bezuinigingsoperatie wordt onderzocht. Samenwerking binnen de EU kan lagere kosten betekenen voor de diplomatieke diensten van de lidstaten.

In een brief aan de Tweede Kamer schreven minister Verhagen en staatssecretaris Timmermans (Europese Zaken, PvdA) eerder deze maand, in de meest voorzichtige bewoordingen, dat pas na een evaluatie van de nog te beginnen activiteiten van de Europese buitenlandse dienst en na een eventuele uitbreiding van de bevoegdheden bekeken kan worden wat dit voor gevolgen kan hebben voor de Nederlandse diplomatieke dienst.

Te vaag, vindt het Tweede Kamerlid Henk Jan Ormel (CDA), voorzitter van de commissie voor Buitenlandse Zaken. Hij riep het kabinet vorig jaar juni in een breed gesteunde motie op „een visie” te ontvouwen over de consequenties van een Europese buitenlandse dienst voor de Nederlandse diplomatie. Wat hij nu van het kabinet heeft gekregen noemt hij een „voortgangsrapportage, geen visie”.

De zorg van Ormel is dat zonder afspraken over de bevoegdheden van de nieuwe dienst Nederlandse ambassadeurs overvleugeld zullen worden door de diplomaten van de Europese Unie. Diplomaten op wie Nederland bovendien nauwelijks invloed heeft. Voor hem staat vast dat het voor Nederland pure noodzaak is eigen ambassades en eigen diplomaten in het buitenland te hebben. „Het belang van de diplomatieke dienst en ambassades wordt onderschat”, zegt hij. „Wij hebben in veel landen mensen die onze exportbelangen behartigen, mensen die zich bezighouden met het opbouwen van politieke relaties. Dat wil ik zo houden.”

Ormels vrees is dat als de Europese diplomatieke dienst eenmaal is gevestigd, deze ook steeds meer taken voor zichzelf zal opeisen. Of opgedrongen krijgt. Het is voor een ‘gastland’ nu eenmaal eenvoudiger zaken te doen met één vertegenwoordiger van de EU dan met alle vertegenwoordigingen van de lidstaten apart.

Daarom is het volgens Ormel noodzakelijk dat de Nederlandse regering nu al aangeeft hoe de taakverdeling tussen de Europese en de Nederlandse diplomatieke dienst er volgens haar uit zal moeten zien. En welke boodschap dragen Nederlandse ambassadeurs straks nog uit als sprake is van een gezamenlijke Europese buitenlandse politiek? Ormel: „Dat zal ertoe leiden dat we, vanwege het geopolitieke belang van Europa, niet meer altijd tot in het extreme ons eigen gelijk kunnen halen.”