Ooievaars in overvloed

Koos van Zomeren beschouwt de natuur in tweewekelijkse rubriek.

Op zaterdag 15 augustus reden we ’s avonds van Arnhem, waar we wonen, naar vrienden in Deventer. We namen de A1 en naderden de IJssel. Daar stond een ooievaar op een lichtmast. Nee, daar stonden ooievaars op zeven, acht, negen achtereenvolgende lichtmasten. Bizar.

De volgende zaterdag zouden we thuisblijven. We zaten op het balkon te eten toen er een ooievaar door de straat kwam zeilen. Wij wonen in Arnhem tegen de bosrand, hier kun je alles verwachten behalve een ooievaar. Maar het was er een. Prachtig. Er gaat weinig boven een ooievaar die door je straat komt zeilen. Aan het eind ging hij linksaf, naar de stad.

Een kennis zei: „Er zijn in geen tweehonderd jaar zoveel ooievaars in Nederland geweest als vandaag de dag.”

De cijfers worden verzameld door stichting Stork. Die van dit jaar zijn nog niet compleet (aldus Dick Jonkers). Geen topjaar, maar een rampjaar, zoals hier en daar verkondigd door de regionale pers, evenmin. De populatie kan intussen trouwens wel een stootje hebben. Vorig jaar werden 672 nesten van vrijvliegende ooievaars geteld, en 1.034 uitgevlogen jongen. Eind jaren 70, toen ik over natuur en landschap begon te schrijven, was de ooievaar nagenoeg uit ons land verdwenen. Vogelbescherming had alvast een herintroductieprogramma op poten gezet. Op het Liesveld, later aangevuld met een aantal buitenstations, werden ooievaars gefokt. Dit project was omstreden, voor- en tegenstanders vlogen elkaar geregeld in de haren. De voorstanders hebben dus gelijk gekregen: de ooievaar is terug in Nederland. En de tegenstanders hebben ook gelijk gekregen: het is niet dezelfde ooievaar. Deze ooievaars hebben een ander voedselpakket en de volwassen dieren vertonen geen trekgedrag meer; ze overwinteren hier en laten zich voederen.

Jaren geleden kon ik nog schrijven dat de ooievaars die je in Nederland zag slechts een herinnering waren aan de tijd dat er in Nederland nog ooievaars waren. Dat zou ik nu niet meer doen, dat zou ik nu nodeloos kleinerend vinden jegens vogels die op een of andere manier toch hun natuur volgen (en gefókt worden ze niet meer; Vogelbescherming richt zich nu op de verbetering van hun leefgebieden).

Niettemin, je ziet niet alleen wat je ziet, je ziet ook wat je weet. En je weet dat de ooievaars die je in Nederland ziet, een kunstmatige achtergrond hebben. Hé een ooievaar zal voor mij nooit hetzelfde betekenen als hé een kiekendief.

Daarbij besef ik, als ik even doordenk, wel degelijk dat je ook bij de kiekendief kanttekeningen kunt plaatsen. Want wat is eigenlijk het verschil met een ooievaar? De bruine kiekendief was al in de jaren 60 door een diep dal gegaan. Zijn wonderlijke herstel werd indertijd voor een groot deel toegeschreven aan het ontstaan van de Oostvaardersplassen, een wat fors uitgevallen overhoekje in de Flevopolders – volstrekt kunstmatig. Het verschil zit hem in de mate van kunstmatigheid. En zo is het in de hele natuur in Nederland, er zijn alleen maar verschillen in de mate van kunstmatigheid.