Ode aan de rommelige stad

Jane Jacobs vocht tijdens haar leven succesvol tegen kille ingrepen in stadsparken en intieme buurtjes. Haar opvattingen over de inrichting van de stad zijn gemeengoed geworden, blijkt uit publicaties en festivals.

Grafisch vormgever Mike Joyce van het New Yorkse bureau Stereotype Design is twee weken geleden een eenmansguerrilla begonnen in zijn buurt, Greenwich Village. Hij heeft een stapel knalgele briefkaarten laten drukken met de tekst: ‘MORE JANE JACOBS LESS MARC JACOBS’.

„Sinds ik hier in 1994 kwam wonen hebben we twintig van mijn favoriete restaurants en boekwinkels moeten sluiten doordat de huur werd verdubbeld of verdrievoudigd”, legt hij uit aan Jeremiah Moss, blogger over verdwijnend New York. „Dat is een triest en rechtstreeks gevolg van de filialen van Starbucks, Ralph Lauren en Marc Jacobs.”

Modeontwerper Marc Jacobs is ook New Yorker, en klein begonnen, maar intussen is hij een economische grootmacht. Jane Jacobs is de personificatie van kleinschaligheid.

Greenwich Village is een dorp in de metropool. Daar woonde in de jaren 50 en 60 Jane Jacobs (1916-2006), journaliste, schrijfster, activiste en selfmade econome. Ze was onafhankelijk en een pain in the ass voor autoriteiten. Nog altijd wordt ze aangeroepen als beschermheilige van de rommelige, organische stad, met stoepen en oude gebouwen, en met een mengeling van alles wat de mens in z’n leven zoal doet: wonen, werken, winkelen, spelen.

Actievoerders voor behoud van Coney Island doen net zo’n grote zwarte uilenbril op als zij en houden plakkaten omhoog met de tekst ‘Jane Jacobs would save Coney Island’ – ook al heeft Jane zich nooit met Coney Island beziggehouden. Jane is de allemansheld, in haar gedachtegoed vindt iedereen wel iets van zijn gading. Ook het Amsterdamse kunstcentrum De Appel, dat zijn verhuizing naar een negentiende-eeuwse school onlangs een van haar aforismen als motto meegaf: „New ideas need old buildings.”

De strijd tégen de grootheidswaan van bouwers die auto’s en snelwegen voorrang gaven en vóór wat zij noemde ‘de levende stad’ van buurten en voetgangers heeft Jacobs’ leven beheerst. Haar leven en werk hebben grote invloed gehad op het denken over hoe steden werken.

Nog steeds, want Jacobs staat midden in de belangstelling. De Amerikaanse journalist Anthony Flint publiceerde onlangs het boek Wrestling with Moses. How Jane Jacobs Took on New York’s Master Builder and Transformed the American City. In Rotterdam is dit weekend het Jane Jacobs Festival, met lezingen, een voorleesmiddag voor fans en excursies door Rotterdam-Noord. Haar beroemde boek The Death and Life of Great American Cities uit 1961, dat talloze malen is herdrukt, is deze week voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen, tegelijk met een essaybundel waarin diverse auteurs onderzoeken hoe relevant haar ideeën nu zijn. Conclusie, met kanttekeningen: zeer relevant.

Het Architectuur Film Festival Rotterdam, eveneens dit weekend, toont twee films waarin Jacobs een prominente rol speelt, Urban Goddess van Sharon Bliss (2008) en New York: The City and the World van Ric Burns (1999). De eerste verzandt in blinde adoratie van deze bijna-cultfiguur; de tweede daarentegen is een rijkgevuld portret van de stad – vóór 9/11, dat wel – waarin zich de titanenstrijd voltrekt tussen de huisvrouw-activiste Jane Jacobs en de man die dacht dat hij het in New York voor het zeggen had, Robert Moses.

Jane Jacobs komt als jonge vrouw uit Pennsylvania naar New York om te werken. Eerst als secretaresse, later als schrijver van propaganda voor de VS voor een blad van de Buitenlandse Zaken, en vanaf 1958 als redacteur van Architectural Forum. In het spraakmakend artikel ‘Downtown is for people’ keert ze zich fel tegen de megalomane stadsvernieuwingsprojecten die de Amerikaanse binnensteden boven het hoofd hangen.

„Ze zullen schoon, indrukwekkend en monumentaal zijn. En ze zullen alle eigenschappen hebben van een goed onderhouden, waardig kerkhof”, schrijft ze. Het ideale stadsleven is volgens haar het complexe, geïmproviseerde „ballet” zoals het zich bij haar in de Village op straat afspeelt.

Haar overtuigingen doen haar af en toe in de gevangenis belanden, maar ze laat niet af. Op een foto uit begin jaren zestig staat zij met haar man Bob te demonstreren tegen de sloop van Penn Station in New York, keurig in jurk, hakken en witte handschoenen. Every inch a lady, maar wel een terriër.

Jacobs neemt stelling tegen niet minder dan de tijdgeest. Al voor de oorlog zijn architecten en stedenbouwers in de ban geraakt van het Europese modernisme van Le Corbusier, Gropius en Mies van der Rohe. De benauwde oude steden moeten van het gekrioel worden bevrijd. Brede boulevards en torens van glas en staal moeten licht en lucht brengen. De machtige planner Robert Moses wil in hun kielzog de stad modern maken. Dat betekent woontorens en snelwegen, bruggen en tunnels die de stad met het ommeland verbinden, want, zegt hij, „steden worden geschapen door en voor verkeer”.

Als je een nieuwe stad bouwt, zoals Brasilia of New Delhi, ligt alles open, zegt Moses, „maar als je werkt in een overbebouwde metropool, dan moet je je een weg banen met een hakbijl”. Zijn plannen belichamen de vooruitgang en hij duldt geen tegenspraak. Is er echt geen andere manier dan hele wijken platwalsen, vraagt een tv-verslaggever in de film van Ric Burns. Nee, antwoordt Moses zonder een spoor van twijfel: „Het individu moet soms buigen voor de behoefte van een hele stad, een heel land. Er is geen andere weg.”

Jacobs dacht daar heel anders over. De monotone scheiding tussen wonen, werken en recreëren die de modernisten hoog in het vaandel voerden, was volgens haar de dood in de pot. Wil dat straatballet goed functioneren, willen er mensen op straat zijn en dus ogen op straat die voor de sociale veiligheid zorgen, dan moet er aan vier criteria worden voldaan.

Er moet een hoge dichtheid zijn, zowel aan mensen als aan gebouwen. Mensen moeten verschillende dingen kunnen doen, zoals wonen, werken, winkelen, rondhangen, praten met elkaar. De straatblokken moeten kort zijn en er moeten oude en nieuwe gebouwen door elkaar staan. Het sleutelwoord is diversiteit, in de straten, de mensen, de gebouwen, de activiteiten. In feite is haar ideaal de historische Europese stad. Met nieuwe en lastige bijkomstigheden als de populariteit van de suburbs en raciale tegenstellingen wist ze minder goed raad.

In Wrestling with Moses doet Anthony Flint met veel kleur en sprekend detail verslag van de daverende confrontaties tussen deze twee en daarmee tussen twee ideologieën. De eerste vindt eind jaren vijftig plaats, als Jacobs en haar vrienden tot zijn verbijstering zijn plannen weten tegen te houden voor een vierbaansweg dwars door hun buurtpark, Washington Square. „Niemand is tegen dit plan!” roept hij woedend. „Niemand, niemand, niemand behalve een stelletje, een stelletje… moeders!”

Een paar jaar later keren de ‘moeders’ zich weer tegen een groot plan van hem, nu voor een snelweg, de Lower Manhattan Expressway (‘Lomex’) dwars door SoHo en Greenwich Village. Moses ziet alleen maar voordelen: de Lomex zal de oost- en westkant van het eiland verbinden en en passant vervallen wijken als de Village en SoHo moderniseren. Het lukt Jacobs opnieuw het verzet te mobiliseren en het plan te verijdelen. Tien jaar nadat het voor het eerst in The New York Times staat, sterft het een zachte dood. De macht van de master builder van New York was gebroken door een huisvrouw met witte handschoentjes, die in de woorden van architectuurcritica Ada Louise Huxtable „mensen weer naar de straat liet kijken in plaats van naar maquettes”.

Je kunt niet anders dan ontzag hebben voor het idealisme en de volharding van Jane Jacobs. De eerste zin van Death and Life luidt: „Dit boek is een aanval op de gevestigde stedenbouw en stadsvernieuwing.” Ze heeft natuurlijk ook de heroïsche charme van de underdog die toch als winnaar te voorschijn komt. Veel van haar gedachten zijn nu gemeengoed. Niemand zou het nog in zijn hoofd halen om SoHo of de Pijp te slopen om er een snelweg aan te leggen. Nieuwe ideeën hebben inderdaad oude gebouwen nodig – en andersom.

Er zijn ook vragen te stellen bij haar opvattingen. Jacobs had een scherpe blik voor de bestaande stad, maar had ze een recept voor de stad van de toekomst? En voor de Europese stad?

Er is tenslotte wel het een en ander veranderd sinds het verschijnen van Death and Life in 1961. De mobiliteit is enorm toegenomen, en daarmee de behoefte aan de infrastructuur waar zij zo tegen gekant was. Het toerisme is wereldwijd explosief toegenomen, en dat merken juist die leuke oude wijken als Greenwich Village.

Om de actualiteit van Jacobs’ denken te onderzoeken, stelde Simon Franke de essaybundel De levende stad. Over de hedendaagse betekenis van Jane Jacobs samen. Franke begon sceptisch, zegt hij, maar is toch tot de conclusie gekomen dat haar denken volop toepasbaar is. Niet in de laatste plaats omdat ze er vooral voor pleit om de stad niet vanuit een ideologie vanachter een tekentafel te ontwerpen, maar te kijken naar de alledaagse werkelijkheid op straat – hoe mensen met elkaar omgaan, de plaatsen waar ze graag komen en die ze juist vermijden. Ze was de voorvechter van wat we nu ‘leefbaarheid’ noemen.

Franke: „In Nederland zijn grootschalige nieuwe stadsuitbreidingen na de Vinex-operatie niet te voorzien. Het accent ligt nu op de vernieuwing van bestaande wijken, vooral uit de twintigste eeuw. En dat combineren we tegenwoordig met een sociale agenda. We moeten het doen met de bestaande bewoners en bestaande sociale structureren.” Helemaal Jacobs.

Minder toepasselijk vindt Franke haar observaties over de suburbs, de ruim opgezette woongebieden in de buitenwijken, waar ze geen realistische oplossing voor biedt. Ze had er toen al geen goed woord voor over, „hooguit moesten ze zo snel mogelijk een dichtbevolkte stadswijk worden. Maar voor veel bewoners is dat helemaal geen ideaalbeeld.”

Wat zou ze vinden van Greenwich Village nu? En van SoHo, en Meatpacking District, en El Born in Barcelona, en de Marais in Parijs, en de negen straatjes in Amsterdam – of beter gezegd, de Negen Straatjes, want de geografische aanduiding is een merk geworden. Leuke oude straten, niet lang geleden nogal vervallen, maar nu allemaal hippe openlucht winkelcentra. Zou zij ook minder ‘Marc Jacobs’ willen, net als Mike Joyce? Vast wel.

De vorm waar zij zich zo sterk voor maakte is behouden gebleven in deze buurten, met al die kleine panden in hoge dichtheid, er wonen en werken ook nog mensen, maar de inhoud is vercommercialiseerd, meer op luxe en pret gericht dan op alledaagse benodigdheden. Een tas, een jurk en een cappuccino vind je er makkelijker dan een pond uien of een schroevendraaier.

Toch is dat commerciële een teken van succes. De overweldigende belangstelling van Starbucks en Marc Jacobs voor hippe buurten als Greenwich Village en de Meatpacking District zijn een gevolg van, en een vervolg op, het slagen van haar strijd. Deze buurten zijn zo hip geworden omdat mensen er graag komen, niet alleen uit de buurt, maar van heinde en ver.

Dat is het dilemma van het succes waar óók Jane Jacobs geen antwoord op had, of heeft. Als haar voorwaarden voor een leefbare buurt vervuld zijn – functiemenging, oude en nieuwe gebouwen door elkaar, hoge concentratie van mensen en activiteit – dan slaat de weegschaal makkelijk door naar te véél succes. Dan komen de boutiques en de galeries en de welgestelde nieuwe bewoners. Zij en haar man waren al de voorhoeden van deze gentrification toen ze zich na de oorlog als blanke intellectuele professionals in de arbeidersbuurt vestigden die Greenwich Village toen was.

In die mooie panden aan Broome Street, waar Moses graag zijn snelweg op poten doorheen had willen leggen, zitten nu galeries, boutiques, restaurants en pied-à-terres van rijke beroemdheden.

Jane had niet kunnen bevroeden dat de bouwvallige snoepwinkel die zij en Bob op 555 Hudson Street kort na de oorlog zelf opknapten, onlangs zou worden verkocht voor 3,3 miljoen dollar.

SUN Trancity, NAi , AFFR en IABR (Internationale Architectuur Biennale Rotterdam) organiseren het Jane Jacobs Festival. Voor info zie: www.janejacobs.nlInterview Mike Joyce op blog Jeremiah Moss: vanishingnewyork.blogspot.com‘Urban Goddess’ en Ric Burns’ documentaire over New York: www.affr.nl‘Dood en leven van grote Amerikaanse steden’ en ‘De levende stad’, uitgeverij SUN Trancity.‘Wrestling with Moses’, Anthony Flint, uitgeverij Random House.