Niet te vroeg juichen over groei VS

De Amerikaanse economische groei in het derde kwartaal van 3,5 procent lijkt op een echt herstel te duiden. Maar de subsidies voor de inruil van oude auto’s en andere overheidsuitgaven waren de voornaamste gangmakers van deze groei. Een soortgelijke aanpak leidde in 1933 tot een leuke, maar kortstondige opleving. De geschiedenis zou zichzelf kunnen herhalen.

De schatting van de groei van het bruto binnenlands product (bbp) ligt boven het gemiddelde Amerikaanse groeitempo op de langere termijn, zodat dit op het eerste gezicht een teken van herstel lijkt te zijn. Maar bijna de helft van de groei bestond uit de productie van extra auto’s als gevolg van het inruilprogramma van de overheid. Nog eens 18 procent was afkomstig van extra overheidsuitgaven. Als je dat alles buiten beschouwing laat, groeide de economie met slechts 1 procent.

Bovendien kwam nog eens 28 procent van de groei voort uit het op bescheiden schaal aanvullen van de voorraden, een trend die misschien niet zal aanhouden. Positief is dat de vastgoedinvesteringen, die sinds 2005 ieder kwartaal waren gedaald, 15 procent van de economische groei voor hun rekening namen. Maar ook op dit vlak deed de overheid zich gelden met belastingvoordelen, die binnenkort aflopen.

Al die nieuwe auto’s moesten ergens van worden bekostigd, en de verkopen leidden tot een daling van de spaarquote bij de consumenten, van 4,9 procent in het tweede kwartaal naar 3,3 procent nu. Het individueel besteedbaar inkomen nam zelfs af met 0,8 procent op kwartaalbasis, terwijl opnieuw 768.000 banen verloren gingen. Omdat de export eveneens daalde, heeft de Amerikaanse economie een aanzienlijke stap gezet op de weg terug naar de onevenwichtigheden van 2007 (vrijwel geen besparingen en een groot tekort op de handelsbalans), ook al blijft de werkloosheid hoog.

Toen Franklin Roosevelt in 1933 president werd met de slogan Happy days are here again, nam hij zijn toevlucht tot forse fiscale en monetaire impulsen, waardoor de overheidsuitgaven stegen van 3,1 procent van het bbp in 1932 naar 5 procent in 1934, terwijl de dollar met 40 procent aan waarde inboette ten opzichte van goud. Hierdoor steeg het reële bbp in 1934 met 11 procent en in 1935 met 9 procent. Maar de economie keerde niet terug naar een situatie van volledige werkgelegenheid. Een tweede recessie volgde in 1937, die dieper was dan welke naoorlogse ook, inclusief de huidige.

Gezien de huidige – en toenemende – onevenwichtigheden in het monetair en fiscaal beleid, en de opnieuw opduikende tekorten in de spaarquote en op de handelsbalans, lijkt het nog te vroeg om te roepen dat de crisis voorbij is. Aan een door de overheid bewerkstelligd herstel, zoals nu in de klaarblijkelijke opleving in het derde kwartaal, zouden nog wel eens wat nadelen kunnen kleven.

Martin Hutchinson

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen:www.breakingviews.com