Kruipen van potscherf naar woordstam

Zou er nog een Italiaan zijn van wie de stamboom regelrecht teruggaat naar een Romein uit de dagen van Augustus? Vast wel. Je vindt ’m alleen niet – vrijwel elk genealogisch onderzoek loopt na vier eeuwen vast bij gebrek aan bronnen. En een Nederlander die nog een voorouder kan aanwijzen uit de tijd van het ‘Meisje van Yde’? Uitgesloten. De meeste Romeinen bleven na de ondergang van hun Rijk zitten waar ze zaten, stichtten net als vroeger gezinnen, kregen kinderen en kleinkinderen, en legden de basis voor vele generaties aanstaande Italianen. Maar van de mensen die zich rond het begin van de jaartelling in Drenthe ophielden kun je niet zeggen dat ze er domicilie hadden gekozen. Zo goed als zeker verbleven ze er nooit langer dan een paar seizoenen alvorens weer weg te trekken, of door nieuwe ‘bewoners’ te worden verdreven.

Van het 16-jarige kind uit Yde dat indertijd waarschijnlijk ritueel is gewurgd, werd eeuwen later (in 1897) het lijkje bij toeval uit het veen opgedregd. Dus hebben we een goed bewaard stoffelijk overschot, dat in het Drents Museum na een nauwgezette reconstructie zelfs oogt als een blond, hedendaags buurmeisje. Maar verder hebben we niets. Niets over haar of haar toenmalige omgeving, helemaal niets waaraan we – dat wurgen daargelaten – nog een soort identiteit zouden kunnen aflezen, laat staan een vroeg-Nederlandse identiteit. Nederland bestond nog niet.

In de marge van de beschaving – over de geschiedenis van een nog niet bestaand land tussen de jaren 0 en 1100 – is geschreven als het eerste deel van een (ook nog niet bestaande) negendelige reeks die eenvoudig ‘De geschiedenis van Nederland’ moest gaan heten. In 2004 werd de serie met enig vertoon (de omslagen van alle delen lagen al ter inzage) ten doop gehouden.

Al spoedig lag ook een eerste band in de boekhandel. De altijd productieve Katwijker Arie van Deursen voltooide De last van veel geluk, een even eigenwijs (gereformeerd) als prachtig en compact verteld verhaal van onze Gouden Eeuw, waarmee de reeks een vliegende start kreeg. Zijn boek zou deel IV in de rij worden. Maar daarna bleef het stil. Hadden beoogde auteurs als Bank, Blockmans, Blussé, Van der Doel, Mijnhardt en Van Sas geen tijd? Geen zin? Geen inspiratie? Pas vijf jaar na dato is er eindelijk weer een deel. Maar als het in dit tempo doorgaat, loopt het voltooide project in de late jaren veertig van deze eeuw dan niet het gevaar dat het wel klaar is, maar al een beetje verouderd?

Marco Mostert, hoogleraar middeleeuwse schriftcultuur aan de universiteit van Utrecht, verdient als historicus die z’n huiswerk wél heeft ingeleverd, extra hulde omdat hij het ondankbaarste karwei van alle negen moest opknappen: het beeld oproepen van een nog niet eens bestaand land.

Pas vanaf de 13de eeuw, als in het Nederlands recht wordt gesproken, als Onze-Lieve-Heer ineens Nederlands leert kennen uit de vrome gebeden van allerhande Nederlandse mensen, en als Nederland in Jacob van Maerlant z’n eerste volkstaaldichter leert lezen en bewonderen – pas dan kun je zeggen dat de Nederlandse verschriftelijking is begonnen, en dat er dus een (geschied)verhaal verteld kan worden. Tot die tijd heeft Mostert zich om zo te zeggen met stukken en brokken moeten behelpen, in ieder geval wat het noordelijk deel van het grondgebied betreft dat we pas later het onze mogen noemen.

In het zuiden staan eerst nog de Romeinen als bewakers en beschavers aan hun limes langs de grote rivieren. Dat deel van Nederland geniet het privilege van de romanisering, al ondergaat men het maar als hulpsoldaat in Romeinse legioenen. Gescheiden ontwikkelingen worden in gang gezet. Niet voor niets is het ‘noorden’ zo laat met de kerstening, en blijven mensen die we nu kennen als Groningers, Friezen en Drenten in de ogen van christenen in Utrecht nog lang barbaarse types ‘aan de uiterste rand van de wereld’.

Zonder het vehikel van de vertelling kon Mostert niet ‘zweven’ langs de continuïteit van conflicten, crisissen en sociaal-culturele ontwikkelingen. Alles bewoog, niets was gestaafd. Hij moest van potscherf tot potscherf en van het ene taalelement naar de andere woordstam door die ‘donkere’ middeleeuwen vol Friezen, Franken, Saksen en kleinere stammen, kruipen naar het moment dat de eerste Dirk als graaf van Holland verschijnt – en de talrijke Hollands-Friese oorlogen tenminste exact genummerd en gedateerd kunnen worden.

Zeker voor wie van slow reading houdt heeft Marco Mostert een waardevolle bijdrage geleverd aan ‘De geschiedenis van Nederland’. Maar kan het nu wat opschieten met die serie?

Marco Mostert: In de marge van de beschaving. De geschiedenis van Nederland 0-1100, Bert Bakker, 264 blz. € 24,95