Kijker, ik ben geschokt je te zien

Laura Cumming: A Face to the World. Harper Collings, 309 blz. € 40,-

Oh la la! Wat gebeurt er nou? Met bolle ogen in een bijna volmaakt rond hoofd kijkt Rembrandt je olijk aan. De ets uit 1630 is een van de zelfportretten die Laura Cumming beschrijft in haar boek A Face to the World. ‘Geschokt je te zien’ is volgens haar een goede omschrijving ervoor, want het is net alsof jij als kijker zijn reactie veroorzaakt. Kijk in zijn ogen, en het is alsof er een vonk overvliegt.

A Face to the World gaat over zelfportretten, van de vroegste uit de middeleeuwen, tot onze tijd. Cumming laat met veel voorbeelden en anekdotes zien hoe grote en kleinere meesters zich gewaagd hebben aan het model. Het speels geschreven boek is verdeeld in hoofdstukken die langs thema’s als ‘ogen’, ‘spiegels’, ‘slachtoffers’ en ‘handeling’ – wat doe ik op mijn zelfportret? – aspecten van het zelfportret verkennen.

Laura Cumming werkt sinds tien jaar als kunstcriticus voor het Britse weekblad The Observer. Ze is de dochter van de Schotse schilder James Cumming. Ze had gewild dat hij een zelfportret had nagelaten, schrijft ze in een nawoord. Ze had graag haar vader door diens eigen ogen gezien. Na lang zoeken vond ze na zijn dood slechts een postzegelgroot tekeningetje in een schetsboek.

A Face to the World is een boek over schilderkunst dat je beter leert kijken. In het hoofdstuk over ogen maak je kennis met de zelfverzekerde, bijna arrogante blik van Botticelli, die zichzelf vastlegde als een van de wijzen die de pasgeboren Christus komen bewonderen. Bij de geslaagde portretten sluipt er zo veel menselijks in het contact dat er geen tijd meer lijkt te bestaan.

Botticelli met zijn wat te lange blonde haar had je gisteren in het voorbijgaan op straat nog zo’n blik over zijn schouder kunnen toewerpen. En de bijna zeshonderd jaar oude Jan van Eyck sprankelt onder zijn rode tulband nog even intelligent als in 1433. Egon Schiele beeldde zichzelf af als Sint Sebastiaan. Zijn bange afwachting van de pijlen van de kritiek herkent iedere kunstenaar die zijn werk exposeert.

Voor een schilder moet het zelfportret een van de moeilijkste opdrachten zijn. Het moet in techniek, gelijkenis en psychologisch inzicht niets anders dan een meesterwerk worden.

Cumming laat er in haar boek een flink aantal zien dat mislukt is. Zoals de in de achttiende eeuw zeer succesvolle Zwitserse portretschilder Anton Graff, die zichzelf niet meer dan een halfslachtige boekhoudersblik weet te geven. Zeventiende-eeuwer Lorenzo Lipi kijkt je met zijn rechteroog zo doordringend aan, dat het een holle pose wordt.

Het is vermakelijk om schilders met hun houding te zien worstelen. Wat leg ik vast, wat trek ik aan, hoe kijk ik, wie wil ik zijn. Alle existentiële vragen dienen zich aan en Cumming laat zien hoe groten als Rembrandt, Titiaan, Goya, Velázquez en Dürer er een antwoord op vonden. Dit intelligente boek over schilderkunst stoort zich niet aan perioden of stijlen maar zoekt naar wat schilders uit alle tijden bindt.

De giganten Dürer, Rembrandt en Velázquez (Las Meninas) hebben eigen hoofdstukken waarin Cumming hen analyseert en vergelijkt met anderen. Rembrandt schilderde zichzelf talloze malen, maar toont zich met zoveel verschillende gezichten dat het moeite kost er één persoon in te herkennen.

Albrecht Dürer begreep in 1500 als eerste dat de nadruk op de persoonlijkheid van de kunstenaar het antwoord was op de financiële bedreiging die de illegale kopieën van zijn werk waren, mogelijk gemaakt door de drukpers. Hij werd niet alleen een meester in het gebruik van grafische technieken, hij zorgde ook dat het publiek wist dat hij de maker was en markeerde elke prent, tekening en schilderij met het logo van zijn initialen AD.

Op zijn beroemde zelfportret uit 1500 kijkt hij je, alsof hij Jezus zelf is, frontaal aan met zijn lange haar tot over zijn schouders, terwijl zijn rechterhand het zachte bont aan zijn jas streelt.

Sinds het midden van de negentiende eeuw is het zelfportret een problematisch genre omdat het in de schilderkunst minder om de afbeelding gaat. Van Gogh wist zijn techniek nog meesterlijk toe te passen, net als Warhol honderd jaar later, maar een druipschilder als Pollock stelt het voor een onoplosbaar probleem. Als abstracten er zich toe zetten, wordt het vaak iets kinderachtigs. Zoals het in zijn geforceerdheid bijna aandoenlijke zelfportret van Mondriaan uit 1918 waarin hij zichzelf realistisch schilderde met zijn hoofd gevangen in twee rechthoeken van een geometrisch werk op de achtergrond. In zijn zelfportret tref je iedere schilder op zijn intiemste moment, ook als het kunstwerk mislukt is.