Kannibalisme is iets voor eskimo's en andere wilden

Richard Flanagan: Verlangen. Uit het Engels vertaald door Ankie Blommesteijn. Anthos, 230 blz. € 19,95

Richard Flanagan: Verlangen. Uit het Engels vertaald door Ankie Blommesteijn. Anthos, 230 blz. € 19,95

De nobele wilde moest nog uitgevonden worden, halverwege de 19de eeuw. Het was de tijd waarin missiedrang en darwinisme hand in hand gingen bij het onderricht van de inheemse bevolking in gekoloniseerde gebieden. In Verlangen, de nieuwste roman van de Tasmaanse schrijver Richard Flanagan, komen drie verhalen samen die uiteindelijk om één vraag draaien: wat is een ‘wilde’? Geeft hij of zij altijd toe aan primaire verlangens of is hij of zij ook in staat het verstand te laten prevaleren boven die verlangens?

Niet dat Flanagan louter op zoek gaat naar het antwoord, zijn boek gaat gelukkig vooral om een zoektocht van drie personages naar het onderscheid tussen emotie en rede: Charles Dickens, de ontdekkingsreiziger Sir John Franklin en het Aboriginalmeisje Mathinna ondergaan die queeste elk op hun manier. Dickens door een rol te vertolken in een toneelstuk, The Frozen Deep, over een expeditie naar de Noordpool van Franklin in 1845. Hierin hoeft hij zijn emoties niet onder te brengen bij enkele romanpersonages, hij kan volledig opgaan in zijn rol. Een rol die werkelijkheid wordt wanneer hij zijn liefde voor zijn jonge tegenspeelster niet langer kan onderdrukken. Dickens – die in deze roman oppert dat Jezus wellicht een goed mens was, ‘maar heeft hij ooit met een vrouw samengewoond?’ – ontdekt dat toegeven aan je verlangens een kenmerk van een wilde is, maar dat je dat verlangen niet altijd kunt negeren.

En dan is er Sir John Franklin, die na zijn Noordpoolexpeditie van de aardbodem is verdwenen. Geruchten doen de ronde dat hij met enkele bemanningsleden de winter tracht te overleven door zich te goed te doen aan dode medebemanningsleden. Onmogelijk, meent zijn vrouw, kannibalisme is iets voor eskimo’s, of wat voor wilden daar dan ook mogen leven. Wanneer wetenschappers ‘bewijzen’ dat kannibalisme voor iedereen is weggelegd, vraagt Franklins vrouw Dickens een vurig tegenpleidooi te schrijven, waarbij hij een beroep moet doen op de Engelse beschaving. Dickens oogst succes: de publieke opinie leest liever over een Sir die in het harnas sterft dan over een Britse kannibaal die zijn dode collegae opeet. Daarnaast is Dickens in het voordeel omdat hij een vaardiger pen heeft dan de wetenschappers die het tegendeel beweren. De fictie wint het van de feiten, zoals later in het toneelstuk de liefde triomfeert over de rede.

Deze twee westerse beproevingen koppelt Flanagan aan het waargebeurde verhaal van Mathinna, een dansend Aboriginalmeisje met groene kralen en een kangoeroevel om de schouders die een decennium eerder leefde. Dermate imponerend was haar dans, dat het kinderloze koppel Sir John en zijn vrouw besloot haar te adopteren. Haar vorming voltrekt zich in de tijd dat Sir John werkzaam is als gouverneur in Van Diemensland. Als het experiment slaagt, willen ze haar meenemen naar Londen om met haar te pronken. Maar het experiment mislukt: het wilde kind weigert schoenen te dragen, belandt in een weeshuis en verdrinkt uiteindelijk als afgedankte, dronken hoer in een plas water.

Gaat het Flanagan om een soort ‘Empire Writes Back’-syndroom? Een aanklacht tegen een koloniaal verleden die weliswaar al vaker is gehoord, maar die vanuit persoonlijke levensverhalen niet vaak genoeg verteld kan worden? De geschiedenis van de kolonisatie van Van Diemensland wordt niet voor niets in een absurd daglicht geplaatst: ‘Wij zijn de afgezanten van God, de wetenschap, de rechtspraak. Wij kennen medelijden en de duivel mag weten wat nog meer. Maar niets overtreft drie (Aboriginal-) hoofden op een spies. Wat zei de jonge natuurvorser Darwin ook al weer toen hij een paar jaar geleden op bezoek was en hier in deze zelfde eetkamer zat? „Van Diemensland heeft het grote voordeel dat het geen inheemse bevolking heeft. Denkt u dat een dergelijke vrijheid makkelijk wordt verkregen?’’’ Het zijn fraai opgeschreven opvattingen tegen de achtergrond van een zoekende Dickens.

Na zijn vorige roman, waarin hij een aanklacht formuleerde tegen de hedendaagse xenofobie in zijn land, is Flanagan terug op vertrouwd historisch terrein. Dit keer niet bekeken vanuit het perspectief van gevangenen, zoals in Het boek van Gould, maar vanuit de gevangene in onszelf. Waarbij het meisje Mathinna, ondanks de weinig verrassende levensloop, bij vlagen ontroert en waarin Sir John en zijn vrouw worden geportretteerd als producten van hun tijd. En waarin vooral het personage Dickens met al zijn dilemma’s prachtig is neergezet.