Het nut van luisteren

Met ‘Geloven en weten’ stort de nu 80-jarige Duitse filosoof Jürgen Habermas zich weer in de publieke debatten. Maar bovenal gaat het over godsdienst.

Jürgen Habermas: Geloven en weten, en andere politieke essays. Vertaling Frank Rebel en Hans de Vries; selectie en inleiding door René Gabriëls en Ruth Sonderegger. Boom, Amsterdam, 240 blz., € 23,50

Jürgen Habermas & Joseph Ratzinger: Dialectiek van de secularisering. Over rede en religie. Vertaling Lieven de Winter en Guido Vanheeswijck; inleidingen van Florian Schuller en Patrick Loobuyck. Klement/Pelckmans, 86 blz., € 14,95

Zelf denkt hij dat het misschien wel door zijn hazenlip komt. Als kind voelde hij zich daardoor nog afhankelijker van andere mensen dan bij kinderen toch al het geval is. En toen hij eenmaal naar school ging, bleek praten een probleem: niemand verstond hem.

Die ervaringen, zo herinnert de Duitse filosoof Jürgen Habermas zich, hebben een stempel gedrukt op zijn latere denken. Diep raakte hij ervan doordrongen hoe belangrijk het sociale leven voor een mens is. En misschien nog wel dieper trof hem de fundamentele rol van de taal. Die twee dingen zouden een rode draad vormen in het omvangrijke oeuvre dat hij bij elkaar zou schrijven en dat hem tot de invloedrijkste Duitse filosoof van na de Tweede Wereldoorlog zou maken.

Afgelopen juni werd hij tachtig jaar. Dat werd in Duitsland uitvoerig herdacht. Habermas’ uitgever Suhrkamp bracht een vijfdelige Studienausgabe uit met een omvangrijke bloemlezing uit zijn werk, geordend naar de belangrijkste thema’s: politieke filosofie, taaltheorie, kritische beschouwingen over de rationaliteit en over de vraag hoe menselijke communicatie er in het ideale geval uit zou moeten zien.

Al die thema’s hangen bij Habermas nauw met elkaar samen. Zijn filosofie is van een degelijkheid die niet van losse eindjes houdt. Het belangrijkste boek dat hij schreef, Theorie van het communicatieve handelen uit 1981, telt zo’n 1150 bladzijden in twee blauwe banden. Onder filosofen staat het bekend als het ‘blauwe monster’.

In Nederland komt de uitgeverij Boom nu met een boek waarin een andere Habermas naar voren komt. In Geloven en weten zijn teksten opgenomen waarin Habermas zich midden in de publieke debatten van vandaag stort. Het gaat over de vraag naar de toekomst van de Europese Unie, naar de rol van de godsdienst in het openbare leven, naar de vraag of een multicultureel recht mogelijk en wenselijk is. En of er ooit zoiets als een wereldregering zou kunnen bestaan.

Niet dat daarin een nieuwe Habermas naar voren komt. In het publieke debat heeft hij zich altijd al begeven: dat maakte hem niet alleen tot invloedrijkste filosoof, maar ook tot de meest gezichtsbepalende intellectueel van het naoorlogse Duitsland.

Dat begon al vroeg. In 1953 (Habermas was een jonge onderzoeker van 24 jaar) kreeg hij een nieuw exemplaar in handen gedrukt van de Inleiding tot de metafysica van Martin Heidegger, oorspronkelijk geschreven omstreeks 1935. De verwachtingsvolle woorden die Heidegger daarin had gewijd aan de nationaal-socialistische beweging waren er na de oorlog gewoon in gehandhaafd. Habermas schreef er een woedend krantenartikel over: ‘Met Heidegger tegen Heidegger in denken’.

Sindsdien is hij allergisch gebleven voor alles wat kon wijzen op een herleving van het troebele gedachtengoed van nacht en nevel. Fel verzette hij zich in de Historikerstreit van de jaren tachtig tegen de suggestie dat de misdaden van Hitler niet meer dan een reactie op de nog veel grotere wreedheid van Stalin zouden zijn geweest. En in de jaren negentig trok hij van leer tegen de filosoof Peter Sloterdijk, die volgens hem door middel van gentechnologie een hoger soort mensenras zou willen kweken.

Vreemd was het dan ook niet dat Habermas zijn eerste filosofische stappen zette onder de vleugels van Theodor W. Adorno, een van de leidende figuren in het links georiënteerde Institut für Sozialforschung in Frankfurt. Niet vanuit een communistische of anti-Amerikaanse gezindheid. Integendeel, zo beklemtoont Habermas in de terugblik op zijn leven die als eerste artikel in Geloven en weten is opgenomen. Na zijn pijnlijke jeugdervaringen vormde de harde wijze waarop hem na 1945 de ogen werden geopend voor het ware karakter van het naziregime een nieuwe schok die zijn leven zou bepalen. Hij leerde inzien hoe belangrijk een democratische grondwet is, en misschien nog wel meer dat die niet zomaar tot stand komt of vanzelfsprekend is. Tegen de Duitse duisternis staken de Verenigde Staten af als een lichtend voorbeeld.

Maar probleemloos was die nieuwe democratische orde niet. Een grondwet alleen was niet voldoende, zo ontdekte Habermas. Wil een democratie werkelijk die naam waardig zijn, dan moet er ook een publiek debat bestaan dat de rechtsstaat ondersteunt en legitimeert. Aan dat vraagstuk wijdde hij het boek dat hem internationale bekendheid bracht, Strukturwandel der Öffentlichkeit (De structurele verandering van de openbare sfeer) uit 1962. Hij maakte erin de verwachting waar dat hij wel eens de opvolger zou kunnen worden van Adorno en Max Horkheimer, de roemruchte intellectuele giganten van de Frankfurter Schule.

Toch zal het dan nog twintig jaar duren voordat Habermas met zijn Theorie van het communicatieve handelen de kroon op zijn filosofische werk zet. Hierin werkt hij nauwkeurig de vraag uit wanneer de publieke discussie werkelijk open en democratisch mag heten. Herrschaftsfreie Kommunikation, communicatie waarbij niemand een dominante rol speelt, is een term die al langer in zijn werk rondzingt. In Theorie verfijnt hij de vervaarlijk klinkende formule die pasmunt wordt in de politiek-filosofische debatten van die jaren.

Maar ook dan is de maatschappijkritiek bij Habermas nooit ver weg. Terwijl hij de regels beschrijft waaraan een democratisch debat moet voldoen, maakt hij zich in toenemende mate zorgen over de vraag of daar in de realiteit nog veel van terechtkomt. De politiek moet steeds meer veren laten aan de economie. Het debat over de vraag waar het met de staat en de maatschappij heen moet, wordt gaandeweg vervangen door de vraag hoe een land het beste te managen is.

Begrijpelijk is dat wel, zo stelt Habermas vast. Het menselijk bedrijf bestaat nu eenmaal niet alleen uit discussie en deliberatie. Er moet ook gehandeld en geproduceerd worden. En die twee sferen beantwoorden niet aan dezelfde logica. Terwijl het publieke debat vraagt om een eerlijke gedachtenwisseling en rationele argumentatie, vraagt de economische productie om een technische manier van denken en de handel om een strategische.

Vooral die laatste is helemaal niet gebaat bij openheid, doorzichtigheid en het principe dat het beste argument het laatste woord heeft. Niet de rede is er de doorslaggevende speler in, maar de macht en het geld. Daar is niets tegen, zolang elk van die principes maar op zijn eigen terrein blijft. Maar wanneer die grenzen worden overschreden, wordt het hachelijk.

En precies dat is wat Habermas vanaf de jaren tachtig ziet gebeuren. De politiek, waarin het vrije debat de hoofdrol moet spelen, wordt steeds meer geïnfecteerd door de macht van het geld. De samenleving, waarin sociale deugden als samenhorigheid, trouw, solidariteit en liefde de toon zouden moeten aangeven, wordt ‘gekoloniseerd’ door het technische denken dat uit is op nut en praktische werkzaamheid. Juist de leefwereld waarin het menselijke de boventoon zou moeten voeren, raakt daardoor gaandeweg ontmenselijkt: zieken worden ‘cliënten’, werknemers worden human resource en politiek wordt een zaak van louter economisch beheer.

De beschouwingen die zijn opgenomen in de bundel Geloven en weten ademen nog altijd die bezorgdheid. Vooral het project van de Europese Unie is problematisch. Ondernomen als een beweging zonder duidelijk einddoel, schippert de moloch voort in de grootst mogelijke onzekerheid over de vraag wat nu eigenlijk haar politieke statuut is. Een verenigd Europa, een statenbond, een federatie?

Vooralsnog acht Habermas dat laatste het haalbaarste alternatief. De Europese Unie staat of valt immers niet allereerst met de vraag of zij al dan niet een grondwet heeft (al is hij daar wel een voorstander van). Veel belangrijker is de vraag of de Europese bevolking haar ook steunt. Want de legitimiteit van een staat (ook een superstaat) hangt niet alleen af van de vraag of zijn wetten en regels wel in orde zijn. Net als indertijd het geval was met de jonge democratische orde van het naoorlogse Duitsland staat of valt zij met het bestaan van een publieke sfeer waarin de bevolking zich voor haar kan uitspreken – en zich daarmee in één moeite door aan haar kan hechten.

Dat zijn behartigenswaardige gedachten, die in de eerste beschouwingen van Geloven en weten door Habermas echter op een nogal ondoordringbare wijze worden verwoord. Een groot stilist is hij nooit geweest en dat wordt er in de Nederlandse vertaling (die de – soms lange – Engelse citatenbovendien gewoon in het Engels laat staan) niet beter op. Levendig en soms zelfs sprankelend wordt het boek pas halverwege, met het opstel dat de bundel ook zijn titel gaf, en waarmee Habermas een heel nieuw thema in zijn oeuvre aansneed.

‘Geloven en weten’ is de rede die hij uitsprak bij de aanvaarding van de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel. Dat was in oktober 2001, luttele weken na de gebeurtenissen van 11 september. De schok daarvan vibreert nog door het proza van Habermas heen. We zullen moeten aanvaarden dat godsdienst geen verdwijnend verschijnsel is, zo stelt hij vast. De vroeger ook door hem gekoesterde illusie van een samenleving zonder religie zal plaats moeten maken voor het besef dat wij in een post-seculiere wereld leven.

Ook al is het stof van de Twin Towers op dat ogenblik nog maar nauwelijks neergeslagen, Habermas wil in die duurzaamheid van de religie niet louter een terugval in de achterlijkheid zien. De post-seculiere samenleving zal daarvan ook het één en ander kunnen leren. Bijvoorbeeld de deugd zich in het standpunt van de ander te verplaatsen, ook al kan men niet al zijn veronderstellingen delen. Dat was altijd al een voorwaarde voor een oprechte en herrschaftsfreie discussie, maar de godsdienst scherpt die eis wel op een bijzondere wijze aan.

Natuurlijk zal het politieke debat uiteindelijk altijd met strikt redelijke criteria gevoerd moeten worden, zo zal hij een paar jaar later zeggen tegen Joseph Ratzinger, de katholieke theoloog (en prefect van de Romeinse Congregatie voor de Geloofsleer) die kort daarop paus Benedictus XVI zal worden. Zij ontmoeten elkaar in januari 2004 om te discussiëren over de vraag of de democratische rechtsstaat een fundament nodig heeft dat aan de democratie zelf voorafgaat. Zoals een goddelijke sanctie. Habermas meent van niet, Ratzinger van wel.

De voordrachten die zij hielden zijn bijeengebracht in het onlangs verschenen bundeltje Dialectiek van de secularisering. Ze vormen een mooi voorbeeld van de manier waarop het gesprek tussen een gelovige en een ongelovige zou kunnen verlopen. Want beiden geven elkaar heel veel van hun wederzijdse gelijk toe en precies daardoor wordt heel duidelijk waarin precies de verschillen zitten. Onbevredigend blijft het boekje wel, omdat de discussie die daarop moet zijn losgebarsten er niet in is opgenomen, en juist dát had zo veelzeggend kunnen zijn.

Toch blijkt uit de stukken in Geloven en weten wel wat Habermas van het gesprek met de godsdienst verwacht. Niet alleen de liberale deugd van het luisteren, argumenteren en zuiver analyseren, maar ook de tegenspraak die de godsdienst kan geven aan een rationaliteit die soms geneigd is haar grenzen te vergeten. Het is niet uitgesloten dat in de religie morele gevoeligheden bewaard zijn gebleven die het seculiere denken weliswaar niet vergeten is, maar toch lang niet zo krachtig weet te verwoorden. Bijvoorbeeld, zo suggereert hij, in de notie dat er een verschil bestaat tussen Schepper en schepsel, en dat die twee niet mogen worden verward.

Dat is een duidelijke toespeling op zijn discussie met Sloterdijk, in wiens omarming van de gentechnologie Habermas een gevaarlijke verleiding zag zelf voor God te gaan spelen. Ook daarbij moeten zijn jeugdervaringen een verborgen maar doorslaggevende rol hebben gespeeld. Want dát was precies wat ook het nationaal-socialisme wilde, de droom waaruit hij als puber zo hardhandig ontwaakte.

Op zondag 8 november houdt Jürgen Habermas in Felix Meritis (Amsterdam) een lezing naar aanleiding van het verschijnen van het boek ‘Geloven en weten’. Daarna zal hij in discussie gaan met onder anderen Frits Bolkestein, Job Cohen en Paul Scheffer. De zaal is uitverkocht, maar wel kan men de bijeenkomst volgen op een scherm in een andere zaal. De bijeenkomst begint om 15.30 u, de toegang is 5 euro. Reserveren op www.felix.meritis.nl