Een geborneerde ramptoerist in Sarajevo

Manon Uphoff: De spelers. De Bezige Bij, 252 blz. €17,50

Vijf jaar geleden luchtte Manon Uphoff in een interview haar hart over de wonden die de oorlog in Bosnië had geslagen in de levens van haar schoonfamilie en van haarzelf. ‘Mijn man komt uit Bosnië. Wat daar is gebeurd heeft mij beroofd van het vooruitgangsgeloof.’ Ze vertelde over de diepe indruk die haar bezoeken aan Sarajevo op haar hadden gemaakt. ‘Mijn inmiddels overleden schoonmoeder woonde daar in zo’n typisch communistische flat. En als je daar dan voor de zoveelste keer vrouwen tegenkomt wier volwassen kinderen in de oorlog zijn weggemaaid, dan voel je dat je te maken hebt met mensen die weten dat hun investering, alles wat ze aan emotie, aan liefde, aan agressie, hoop en verlangen ergens in gestopt hebben, er niet meer is.’

Het zat erin dat Uphoff haar ervaringen zou verwerken in een boek. Ik hoopte op korte verhalen of een novelle, genres waar deze schrijfster in excelleert, maar het werd een roman, De spelers, die uitgerekend verschijnt in de week dat voor het Haagse Joegoslavië-tribunaal het proces tegen Radovan Karadzic begint. In De spelers vertelt de vrouwelijke ik-figuur Manja hoe zij begin jaren 90 als aankomend schrijfster verliefd wordt op een deserteur uit het Bosnische leger. Ze krijgen een relatie die vertroebeld wordt door de schuldgevoelens van de deserteur. Hij heeft het leger, maar ook zijn ouders, zus, zwager en neefje in de steek gelaten, en een niet opgebiechte geliefde. Die zitten als ratten in de val in Sarajevo. J., zoals Manja’s vriend wordt aangeduid, kan er uiteraard niet heen.

Nadat de belegering van Sarajevo is opgeheven vergezelt Manja J., die inmiddels als een door Nederland erkend vluchteling een paspoort heeft, in 1996 naar zijn geboortestad. J.’s vader heeft de oorlog niet overleefd, zijn moeder en zus zijn gebroken, zijn zwager, een ex- militair, is krankzinnig geworden, het neefje blijkt debiel en de ex-geliefde een hoer. Manja vindt het allemaal bijzonder interessant. ‘Ik popelde van verlangen om plaats te nemen tussen de contouren van een echte tragedie. Het was of ik mezelf al kon zien te midden van de rokende ashopen en het puin van mijn eerste volledig vreemde stad’. En hoe zal J. reageren? ‘Nu zal hij zijn moeder en zijn zus weer ontmoeten, dacht ik, ontroerd door mijn eigen ontroering. Als ze iets nodig hebben, zullen we het geven… ’

In tegenspraak daarmee zijn Manja’s laatdunkende observaties over haar schoonfamilie: onverbeterlijke, plat pratende primitievelingen zonder smaak en tafelmanieren, bijeenhokkend in een spuuglelijk ingerichte flat. Het lijkt erop dat Uphoff met het snobistische personage Manja iemand aanklaagt of op zijn minst ridiculiseert, maar wie? Toont Manja’s houding een aspect van wat de schrijfster zichzelf verwijt? Deelt Manja in de schuldgevoelens van J.? Vraagt ze zich achteraf misschien af waarom zij haar schoonfamilie niet eerder te hulp is geschoten? Anders dan J. had Manja al in 1993 naar Sarajevo kunnen afreizen, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse schrijfster Susan Sontag deed. Of is de beschrijving van Manja’s verwatenheid juist bedoeld als indirecte kritiek op een geëngageerde kunstenaar als Sontag?

Observaties van onbeschrijfelijke verschrikkingen, opgetekend door een naïeve buitenstaander met een gouden pen kunnen geweldige, choquerende literatuur opleveren die ons allen een spiegel voorhoudt. Hoe naïef en emotioneel parasitair reageren wij allemaal op veilig leed ver weg? Maar Uphoffs gouden pennetje schiet tekort in deze roman. Ze probeert literatuur te maken van haar eigen verwarring door vrijwel in iedere zin een metafoor te gebruiken (‘En toen was daar die zomer, openbarstend als een rijpe meloen’), maar slaagt er niet in een literaire werkelijkheid te creëren die schokt, ontroert of inzicht verschaft.

Aan het einde van de roman brengen Manja en J. samen met een kennis oudejaarsavond 1999 door in Nederland met porno kijken en lodderige spelletjes. Ook hier is een rijm met Sontag die de komst van het nieuwe millennium vierde met vrienden in Sarajevo. Manja en J. hebben geen enkele vriend in Sarajevo, ze hebben die stad de rug toegekeerd. ‘Misschien is het niet de bedoeling dat we ons thuis voelen in de wereld’, denkt Manja als het vuurwerk is gedoofd. En dat is zo ongeveer de strekking van deze roman over een tragedie die niet de ‘echte tragedie’ wordt waarnaar het personage verlangde, omdat de tragiek het aflegt tegen de geborneerdheid van de ramptoerist.