Deel 1: Hij wringt zich uit de kast

Het eerste deel van de biografie van Reve schuwt het fysieke niet. Maar Nop Maas’ werkwijze betaalt zich uit: Reves worsteling met zijn homoseksualiteit levert hartverscheurende pagina’s op.

Nop Maas: Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. Deel I. De vroege jaren (1923-1962). Van Oorschot, 732 blz. € 35,–

‘Kom er maar eens uit.’ Dat zinnetje staat op pagina 21 van Kroniek van een schuldig leven, de langverwachte biografie van Gerard Reve, waarvan Nop Maas vandaag het eerste deel publiceert. Het is een typerende zin omdat de ontspannen toon ervan het hele boek kenmerkt: Maas is niet bevangen door de heilige ernst of de geëxalteerde ironie van menig Reve-exegeet. Even tekenend is de opmerking doordat de biograaf er zijn beperkingen in aangeeft: hij weet niet alles, hij draagt de bronnen aan, maar heeft geen sluitende theorie. Maas heeft een documentaire biografie willen maken, niet een boek met een visie die ‘in een paar woorden’ uiteen te zetten is.

Illustratief is het zinnetje, bovendien, door de kwestie waar deze luchtige verzuchting betrekking op heeft. Want: kwam er in december 1923 uit de borsten van moeder Van het Reve nu lekkere melk (volgens vader) danwel ‘half gegist kwelvocht’ (Reve zelf in Een circusjongen) danwel helemaal niets (Reve in een brief uit 1973)? Het belang van die vraag kan iedereen voor zichzelf bepalen – ik heb wel een idee – maar dat Maas hem stelt, maakt duidelijk hoe dicht hij de held van dit verhaal op de huid wil zitten.

Wie het leven van Reve wil vatten, kan het fysieke niet schuwen en dat doet Maas ook niet: zo is een van de voornaamste ontdekkingen het bestaan van de lang verheimelijkte jeugdliefde Tine Fraterman, met als spektakelstuk de brief uit 1944 waarin zij hem kapittelt over zijn ‘ruwe manier van doen’ in bed en hem nog maar eens uitlegt hoe dat zit met vrouwenborsten en wat een mens daar zoal mee kan doen – de jongen had geen idee.

In zijn voorwoord schetst Maas Reve als een ‘sadomasochistisch aangelegde persoon’, op seksueel gebied maar ook in het algemeen. Hij voelde zich altijd schuldig. ‘De jaloezie, het egocentrisme en het uitbundige libido droegen bij aan de schuldgevoelens, waarvoor de overgang tot het rooms-katholicisme een „oplossing” bood, die tevens ruimte liet voor het creëren van nieuwe schuld.’ Overigens speelt Reves religiositeit in dit eerste deel nog een ondergeschikte rol.

Met eigen interpretaties van Reves fictie is Maas zuinig, waarmee niet gezegd is dat de biografie het werk van Reve niet verheldert – integendeel. Het is lichamelijk, en het is véél: deze 700 bladzijden over de eerste 29 levensjaren van een schrijver (de completerende delen verschijnen in de lente en herfst van 2010). Maas portretteert in extenso alle mensen die model stonden voor figuren uit De avonden, vermeldt zelfs dat Jaap Elderer (Lucas van der Land in het echt) zijn kaalhoofdigheid niet met petroleum bestreed – zoals het boek wil – maar met Lotion Pekelharing. Dat is nog steeds verkrijgbaar. Hij citeert royaal uit het werk van Reve zelf, uit dat van zijn broer Karel, uit de correspondentie van Reve – vrijwel alle interessante citaten uit de twee jaar geleden gepubliceerde briefwisseling met Hermans zijn wel ergens in de biografie te vinden – en uit de dagboeken van Reves echtgenote Hanny Michaelis.

Michaelis is toch al dominant aanwezig in dit eerste deel: veel van Maas’ interpretaties leunen op gesprekken met haar, zoals het bijzonder fraaie beeld van hoe Reve elke avond op zijn kamer thuis aan De avonden schreef, zich altijd storend aan het rumoer van de buurvrouwen die bij zijn moeder op bezoek kwamen, maar toch nooit zijn kamerdeur sloot. Maas schrijft: ‘De hang naar stilte en afzondering heeft bij Reve steeds geconflicteerd met zijn behoefte aan contact.’

Zo laat Maas veel zien over de in eerdere publicaties met overgave afgegraasde jeugd van Reve. Het is een schatkamer voor de reviaan, een garage sale voor de scepticus: zijn moeilijke positie als kleine broer van de ogenschijnlijke alleskunner Karel, de masturbatiedrang, het burgerlijke communisme van zijn ouders, de buitenechtelijke avontuurtjes van zijn vader, de aanranding door een man op een zomerkamp, zijn acné en eenzaamheid op het Vossius Gymnasium, zijn dromen en pesterijtjes, de roofovervallen die hij pleegde tijdens de hongerwinter, zijn journalistenwerk voor het naoorlogse Parool en zijn afscheid van het communisme.

De vroege jaren uit het leven van Reve zijn waarschijnlijk de belangrijkste: het is de periode waarin hij driekwart van zijn beste werk schreef en waarin hij amper een boek verkocht. De avonden (1947) sloeg in als een bom, maar tot begin jaren zestig werden er niet meer dan 13.000 exemplaren van verkocht. Werther Nieland en De ondergang van de familie Boslowits werden amper opgemerkt, waarna Reve zijn later rijkelijk bespotte keuze maakte om voortaan alleen nog in het Engels te publiceren.

Dat besluit zou leiden tot een periode van literaire onvruchtbaarheid die ruwweg samenviel met de jaren vijftig, met Reves huwelijk en met de periode waarin hij uit de kast kwam als homoseksueel. Of eigenlijk: zich uit de kast wrong. Hoe je het ook noemt: het levert driehonderd verrassende, spannende en hartverscheurende pagina’s op. Maas’ overdadige en feitelijke werkwijze betaalt zich hier ten volle uit. Hij toont Reves trage en moeizame overgang naar het homoseksuele leven met veel details en weinig duiding, waardoor allengs duidelijker wordt hoe pijnlijk dat bevrijdingsproces is geweest.

Reve was in december 1948 getrouwd met de dichteres Hanny Michaelis (1922- 2007), zich welbewust van zijn verlangens naar mannen, maar kennelijk zonder idee van hoe heftig en verstrekkend die zouden zijn. Jarenlang was hij in therapie om van zijn ‘homoseksuele neigingen’ af te komen en slingerde hij heen en weer tussen uitbundige nachten in de bosjes en momenten waarop hij een Londens metrostel ontvluchtte uit vrees voor oogcontact met de mooie jongen op de bank tegenover hem.

Het verbijsterende van Reves verzet is dat hij werkelijk scheen te denken dat zijn homoseksualiteit iets was dat over kon gaan, dat dit een gevecht was dat hij kon winnen. Dat hing natuurlijk samen met zijn verlangen om heteroseksueel te zijn, wat weer alles te maken had met Hanny Michaelis. Haar beide ouders waren op 26 maart 1943 in Sobibor vergast, vijf jaar voor ze Reve ontmoette. Een nieuwe verlating wilde hij niet op zijn geweten hebben. Uiteraard deed hij haar zo alleen maar méér verdriet, omdat hij ook die jongens niet kon loslaten. Reve zat klem, jarenlang. Hoezeer, blijkt uit de scène waarin Hanny te horen krijgt dat hij het met een Amerikaan heeft gedaan. Van die minnaar zelf, als Reve even de deur uit is.

En of de scènes uit dat gedoemde huwelijk niet erg genoeg zijn, komt daarbij de literaire impasse waar Reve zich in manoeuvreerde door in het Engels te willen schrijven, een taal die hij niet voldoende beheerste. Dat laatste blijkt alleen al uit zijn (ook Engelstalige) brieven uit die jaren. Zo lees je de grote stilist Reve die in amechtig Engels uitlegt hoe hij een literaire en seksuele strijd probeert te winnen waarvan je vanaf het eerste begin wéét dat die niet te winnen is. Veel pijnlijker kan het niet meer worden – bovendien is Reve dan zo arm als een kerkrat.

Het zijn episodes waardoor duidelijk wordt waarom Maas (naar eigen zeggen ‘met enige schroom’) het adjectief ‘schuldig’ aan de titel van zijn levensbeschrijving heeft toegevoegd. Jarenlang hielden Reves ambities en angsten, zijn verlangens en schuldgevoelens elkaar in een wurggreep die amper beweging toeliet, laat staan scheppende arbeid. Reves literaire onvruchtbaarheid komt hier niet naar voren als het gevolg van een tekort aan energie, maar als een overdaad van krachten die recht tegen elkaar indruisen.

Een beeld dat, trouwens, wonderwel past bij De avonden, waarin ook weinig voorvalt, terwijl je voelt dat bij de geringste verschuiving van krachten een explosie zal optreden.

Iets dergelijks gebeurt ook in Reves levenshouding aan het eind van de jaren vijftig, al is er sprake van een geleidelijke verschuiving doordat Hanny Michaelis een minnaar kreeg en Reves relatie met Wim (‘Wimie’) Schuhmacher zich steeds verder verdiepte. Wanneer in 1957 Meik de Swaan, de geliefde van Hanny, bij een vliegtuigongeluk sterft, schudt Reve zijn schuldgevoel van zich af. Eerst biedt hij nog aan een tijdje bij haar te wonen om haar te troosten, maar dan komt hij daarop terug in een brief die al snel niet meer om haar verdriet draait, maar om hem en hem alleen: ‘Het is niet veel anders dan zorg en ellende geweest het laatste jaar, en ik ben zo verschrikkelijk moe van alles. Ik benijd Meik soms werkelijk [...] Als ik anders je ondergang of dood op mijn geweten zou laden, dan kom ik naar je toe. Maar probeer het in Godsnaam zonder mij vol te houden. Ik kan niet meer.’

Het wordt door zijn biograaf geciteerd met nauwelijks verholen afkeuring en met veel compassie voor Hanny Michaelis, van wie Maas tussen de bedrijven door toch al een bijzonder liefdevol portret schetst. Eerder werkte Maas mee aan de totstandkoming van haar herinneringenboek Verst verleden (2002).

Het zou niet de laatste daad van egocentrisme van Reve zijn. Aan het eind van dit eerste deel van de biografie staat Reve er ‘slecht voor’, aldus zijn biograaf: Wimie vertrokken, geen geld, semikatholiek, amper literair succes. Hij staat echter ook – weten wij – aan de vooravond van de publicatie van Op weg naar het einde, het brievenboek dat hem definitief tot een succesauteur zou maken.