De eed, de pijl, de appel, de sprong en het schot

Twee schoten die de wereld rond-gingen – zie daar het verhaal van de Zwitserse meesterschutter en vrijheidsstrijder Wilhelm Tell. Rondom het Vierwoudstrekenmeer wordt de herinnering aan de appel en de kruisboog hooggehouden, ook al wordt de geschiedenis daarmee geweld aangedaan.

Stel je voor. In een klein stukje Nederland is eeuwenlang de naam hoog gehouden van een vrijheidsstrijder uit het grijze verleden. Zijn naam is Pieter Gerlofs, zijn bijnaam Grote Pier, en hij wordt vereerd als de kampioen van de Friese onafhankelijkheid. In Friesland kent iedereen zijn naam, zijn reuzenzwaard en vooral de zin die hij gebruikte om zijn landgenoten te onderscheiden van zijn aartsvijanden, de Hollanders en Saksen (‘Bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze ken is gjin oprjochte Frysk’). In de omringende gebieden hij minder bekend, hoewel hij – onder de naam Lange Pier – een belangrijke bijrol speelde in een populaire ridderserie op de nationale televisie.

En dan, op een dag, komt een schrijver uit buurland Duitsland op het idee om aan de onafhankelijkheidsstrijd van ‘Grutte Pier’ een toneelstuk te wijden. De klassieke vijfakter wordt een succès fou, en maakt van de boerenzoon uit Kimswerd een wereldberoemde held van de vrijheid, een rolmodel voor alle verworpenen der aarde die opstaan tegen tirannie en onrecht. Zijn meer dan twee meter lange zwaard groeit uit tot een icoon van het zelfbeschikkingsrecht, en Piers grootste heldendaden – hoe hij zijn paard op zijn schouders nam, hoe hij met één houw van zijn zwaard vijf tegenstanders tegelijkertijd onthoofdde – sijpelen door naar de beeldende kunst, de muziek, de film en de populaire cultuur. Grote Pier wordt een van de pijlers van de Europese, zelfs westerse, identiteit.

Het klinkt onwaarschijnlijk. Maar in zekere zin is dit wat gebeurd is met Wilhelm Tell, de vrije schutter uit het kanton Uri. Vijf eeuwen lang, tot het jaar 1804, was hij niet veel meer dan een locale Zwitserse beroemdheid. Tell was de eenvoudige boer die anno 1307 zijn talent op de kruisboog moest bewijzen door een appel van het hoofd van zijn zoontje te schieten; die vervolgens wraak nam op de sadistische landvoogd die hem daartoe gedwongen had; die geëerd werd als een van de leidende figuren van de opstand tegen de Oostenrijkse Habsburgers (en van de daaraan voorafgaande eed op de Rütli-weide bij het Vierwoudstrekenmeer).

En toen was er Friedrich Schiller, de Duitse dichter en toneelschrijver die op aanraden van zijn vriend Goethe een oude kroniek las en volledig begeesterd werd door de figuur van Tell, hoewel hij nog nooit een voet in Zwitserland had gezet. Hij schreef een Schauspiel in vijf bedrijven waarin de mythische hoogtepunten uit de strijd van het Eedgenootschap tegen de Oostenrijkers aan elkaar waren geregen, en waarvan Tell de titelheld was. Wilhelm Tell werd een van de meest opgevoerde toneelstukken van de 19de eeuw, maar wat nog belangrijker was: het ontwikkelde zich – als pleidooi voor de vrijheid van het volk en verzet tegen tirannie – tot een factor in de politiek. Zo werd het stuk in 1814 opgevoerd bij de eerste verjaardag van de geallieerde overwinning op Napoleon bij Leipzig, en speelde het een belangrijke rol bij de vorming van de bondsstaat Zwitserland in 1848. Ook de opera die Gioacchino Rossini in 1829 op Schillers stuk baseerde, greep als een veenbrand om zich heen, en werd veelzeggend genoeg de soundtrack van talloze ‘nieuwe’ opera’s over vrijheidshelden: de Tiroler Andreas Hofer, de Schot William ‘Braveheart’) Wallace en de Jood Judas Maccabeus.

De sage van Wilhelm Tell is het verhaal van twee schoten: de Apfelschuss op het marktplein van Altdorf en de executie van de boze landvoogd Gessler op de holle weg bij Küssnacht. Beide plaatsen liggen dichtbij het Vierwoudstrekenmeer – net als Bürglen waar het allemaal begonnen is. Hier, in een hooggelegen dorpje aan de doorgangsweg naar de Klausenpas, is Wilhelm Tell geboren en getogen. Hier, in de wildstromende Schächenbach, vond hij in 1354 ook de dood, bij een verder gelukte poging om een kind uit het ijskoude water te redden.

Tenminste, zo wil de mythe het. De werkelijkheid is moeilijk te achterhalen. Tegenover de ‘historische’ bewijzen – een kroniek van 150 jaar later, een lied uit 1477 – staan vele studies van Tell-sceptici. Al in 1697 concludeerde een vooraanstaande Zwitserse oudheidkundige dat het hele verhaal ‘pure fabel’ was, en anderhalve eeuw later werd in een anoniem traktaat beargumenteerd dat de legende gebaseerd was op een oude Deense sage. Een Franse editie van dit traktaat werd in Altdorf door boze Zwitsers op de brandstapel gegooid, zoals dat rond 1835 op de Rütli gebeurde met een pop van een historicus die de legende nog eens extra in twijfel had getrokken. Tells historiciteit was heilig, en is dat nog steeds in nationalistische kringen, die verwijzen naar een geruchtmakend onderzoek waaruit zou blijken dat bij de strijd van de kantons een kruisboogmaker met de naam Wilhelm von Tellikon betrokken was.

Volgens een vijf jaar oud onderzoek van de CoopZeitung uit Luzern gelooft zestig procent van de Zwitsers dat Tell echt bestaan heeft. Er is dan ook voor het Tellmuseum in Bürglen geen enkele reden om het tegenovergestelde van de daken te schreeuwen. Als ik de verbouwde 13de-eeuwse weertoren binnenga, stap ik in een warm bad van Tellverering. Vier verdiepingen met schilderijen, wapens, boeken, spotprenten en merchandise die allemaal de lof zingen van de man, zijn zaak en zijn schutterskunst. Natuurlijk, de samenstellers van de tentoonstelling pretenderen niet dat de kruisboog in de vitrine op de begane grond van Tell was, en ook geven ze ruimte aan enige twijfel in de verzorgde Tonbildschau in de nok van de toren. Maar verder wordt Tell gepresenteerd als een historische held. Ten bewijze daarvan, zou je denken, hangt bij de deur het oudste portret dat van hem bekend is, uit het bezit van een 16de- eeuwse commandant van de Zwitserse garde. De negroïde en besnorde Tell is gekleed in een Frans harnas en heeft een gevederde pijl in zijn hand die eerder geschikt lijkt om mee te schrijven dan om mee te schieten.

De collectie-Tell, na de Tweede Wereldoorlog bijeengebracht door de koster van het spitse kerkje van Bürglen, is haast te groot voor het museum. Wat wil je ook, met zo’n vruchtbaar thema als de Apfelschuss? Schoenen, chocoladerepen, bierpullen, ganzeborden, klokken – alles leent zich voor een afbeelding van het iconische moment waarop de geterroriseerde vader zijn trillende hand in bedwang moet houden om te vermijden dat zijn pijl het hoofd van zijn zoon raakt.

‘Das war ein Schuss!’ zegt een van de omstanders nadat Tell de proef heeft doorstaan. ‘Davon wird man noch reden in den spätesten Zeiten.’ En inderdaad zien we het wonderschot overal terug, in spotprenten, in strips (Asterix en de Helvetiërs!), in tekenfilms, en natuurlijk als attribuut bij de vele standbeelden van Tell en zijn zoon die in Uri en de rest van Zwitserland te zien zijn. Een daarvan passeer ik wanneer ik het museum verlaat om naar een aan Tell gewijde kapel in Bürglen te lopen. Tell en Walther zijn unisex in een gele frak en een blauwe pofbroek gekleed, geheel in 18de- eeuwse barokstijl; vader houdt de kruisboog vast, zoon heeft de pijlen voor zich. Het is een kitscherig beeld dat je eerder op een draaiorgel zou verwachten dan in de geboorteplaats van de grootste Zwitserse held.

De Tellskapelle uit 1588 ligt achter Hotel Tell, een uit de kluiten gewassen chalet van beschilderd hout. Het kerkje, dat in de baroktijd grondig verbouwd werd, schijnt aan de binnenmuren nog fresco’s uit de 16de eeuw te hebben, maar die zijn niet voor het gewone publiek toegankelijk. Op de buitenmuren zijn 20ste-eeuwse schilderingen te zien: scènes uit de Telllegende, maar ook een afbeelding van Sint Sebastiaan, aan wie de kapel oorspronkelijk gewijd was. Heel toepasselijk, al misten de pijlen in zijn geval zijn lichaam niet. Tell is natuurlijk afgebeeld met zijn kruisboog, zoals de middeleeuwse martelaren steevast te zien zijn met het attribuut dat het kenmerkendst is voor hun levensverhaal.

Onder de topstukken van het Tellmuseum zijn ook de voorstudies die de 19de-eeuwse kunstenaar Ernst Stückelberg maakte voor de muurschilderingen van een andere 16de-eeuwse Tellkapel, aan de rechteroever van de Urner See, oftewel het zuidelijk gedeelte van het Vierwoudstrekenmeer. Op weg daarnaartoe kom ik langs het marktplein van Altdorf, dat zo’n belangrijke rol speelt in het Zwitserse collectieve bewustzijn. Je kunt het niet missen: het ligt in een bocht van de doorgaande weg en aan de straatkant stuit je op een bontgekleurde klokkentoren. Als ik het door Tellhotels, -restaurants en -souvenirshops omrande plein oprijd, zie ik dat de toren rugdekking geeft aan een stoer standbeeld van Tell (kruisboog over zijn rechterschouder) en zijn idolaat opkijkende zoon; op de torenmuur is een berglandschap geschilderd, waardoor Tell lijkt te komen aanwandelen.

Het beeld (van Richard Kissling) dateert van 1895; de huizen eromheen zijn gebouwd in de 18de en 19de eeuw; maar het plein was er al in 1307, toen Wilhelm Tell op 18 november met zijn zoon naar de markt ging en nietsvermoedend voorbij liep aan een hoed op een stok. Het was de hoed van Hermann Gessler, de nieuwe afgezant van de Habsburgers in Uri die had verordonneerd dat iedere Zwitser ervoor moest buigen om zijn onderworpenheid te tonen. De Apfelschuss was Gesslers manier om Tell te straffen voor zijn ongehoorzaamheid. Toen de appel doormidden was geschoten, vroeg de landvoogd waarom Tell niet één maar twee pijlen uit zijn koker had gehaald, waarop de schutter – in de woorden van Schiller – antwoordde: ‘Met deze tweede pijl doorboorde ik… U / Als ik mijn lieve kind getroffen had, / En U… werkelijk! had ik niet gemist.’

Gessler, woedend, sloeg Tell meteen in de boeien en liet hem over het water naar zijn burcht bij Küssnacht vervoeren. Maar op de Urner See stak een storm op die zó hevig werd dat de boot dreigde te zinken. Omdat Tell bekend stond als een kundig stuurman, werden zijn boeien losgemaakt en kreeg hij het roer in handen. Hij loodste het scheepje naar de oever, en op het moment dat het een meter of twee van de wal was, verrichtte hij zijn tweede heldendaad. Met een krachtige afzet, die Gessler en zijn trawanten terug het meer op dreef, sprong hij aan land – voorgoed buiten bereik van de tiran. Het was de ‘Tellensprung’ die in de eeuwen na hem talloze kunstenaars zou inspireren.

Het plateau waar Tell aan land sprong heet, hoe kan het anders, de Tellenplatte; het ligt een kilometer of acht boven Altdorf, aan de toeristische Axenstrasse die hoog langs het meer voert. Om bij de kapel aan het water te komen moet je eerst flink dalen door een alpenwei en daarna een paar honderd treden naar beneden door een bos – een glibberexpeditie, want het regent. Maar de kapel is de omweg waard. Niet wegens de architectuur, hoewel de hal met twee bogen en een hoge torenspits bij nadering doet denken aan een elegant Noors staafkerkje Ook niet wegens de Tell-fresco’s van Stückelberg, die achter tralies wat braaf en bleek ogen. Maar wegens het uitzicht op de Urner See. Het water hoort blauw te zijn en is op het plaatje in de reisgids glad als een spiegel. Maar nu is het wild, met witte kopjes, een beetje zoals het geweest moet zijn toen Tell zijn sprong waagde. Schuin aan de overkant van het meer ligt de berg met de Rütliweide, waar de vertegenwoordigers van de kantons Uri, Schwyz en Unterwalden hun eed zwoeren. Donkere wolken jagen boven de kliffen..

Als ik een uur later net voorbij Küssnacht ben, kom ik in een wolkbreuk terecht, en waan ik me in het eerste bedrijf van Schillers toneelstuk: ‘Es donnern die Höhen, es zittert der Steg.’ En eigenlijk is dat nog zacht uitgedrukt: niet alleen de steigers aan het meer sidderen, ook de putdeksels in de straten. De riolen kunnen de regen niet verwerken en lopen over; op sommige plaatsen spuiten fonteinen uit de weg, die al gauw een paar centimeter blank staat. Sommige auto’s moeten aan de kant gaan staan, andere kunnen alleen stapvoets doorrijden. Perfecte omstandigheden, kortom, voor een bezoek aan de ‘Hohle Gasse’, het stukje holle weg richting de Zuger See, waar Tell Gessler opwachtte voor de finale afrekening..

Het noodweer is een gewone stortbui geworden wanneer ik aankom bij Hotel Hohle Gasse, dat voorzien is van een muurschildering waarop Tell Gessler nog één keer waarschuwt. Achter het hotel, waar de holle weg begint, is een paviljoentje waar twee motorrijders dekking tegen de regen hebben gezocht. Er klinkt muziek: het opgewonden hoorngeschal van Rossini’s ‘Ouverture Guillaume Tell’, een van de bekendste stukjes klassieke muziek ter wereld. Sinds de première in 1830 een station call voor revolutionairen, sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw vooral beroemd doordat Stanley Kubrick het gebruikte bij een bedscène in Clockwork Orange. Nederlanders kennen het uit Turks fruit van Jan Wolkers (of Paul Verhoeven), waarin het het lijflied is van de schoonvader van de hoofdpersoon: ‘Tieten kont tieten kont tieten kont kont kont…’

De ‘Ouverture’ blijkt in dit geval het begin van een son et lumière die door bezoekers van de Hohle Gasse met een druk op de knop in werking kan worden gezet. Vijf vitrines belichten achtereenvolgens de geschiedenis van de verbindingsweg tussen Luzern en de Gotthardpas, de legende van Wilhelm Tell, de historische gebeurtenissen rondom de opstand van de Zwitserse kantons tegen de Habsburgers, en Tells voortleven in het werk van Schiller, Rossini, Gottfried Keller en Max Frisch, die in Wilhelm Tell für die Schule (1970) op een geestige manier de draak stak met de klassieke, nationalistische mythe. Ook wordt in het informatiepaviljoen de geschiedenis van de Hohle Gasse zelf verteld. Hoe hier al in de 14de eeuw een kapel werd gebouwd om de herinnering aan Tells tirannenmoord te bewaren. En hoe de holle weg onherkenbaar werd verbreed in de 19de-eeuwse vaart der volkeren, om honderd jaar later weer gerestaureerd te worden. Nu is de weg extreem smal en keurig geplaveid, en loopt er een parallelpad naast dat rolstoeltoegankelijk is.

De regen houdt niet op, en dus wandel ik gewapend met paraplu de Hohle Gasse op. Een weg kun je het eigenlijk niet meer noemen, eerder een rivierbedding; het water gutst me over de keien tegemoet. Met natte voeten bereik ik na een paar honderd meter mijn derde Tellkapel van de dag: opnieuw een vriendelijk kerkje met een hoge spits en een roodleien dakje; en nog belangrijker: een veranda waaronder ik kan schuilen. Boven de houten deur naar de kapel is een muurschildering aangebracht waarop de kunstenaar, Hans Bachmann, het moment van Gesslers dood heeft verbeeld. Tell staat met kruisboog tussen drie zwaargewortelde bomen op de rand van de holle weg; Gessler grijpt naar de pijl in zijn borst, zijn gevolg is in paniek. Het is het ‘glorieuze schot van Tell’ dat zelfs Victor Hugo verleidde tot een bedevaart naar de Hohle Gasse, ‘531 jaar, 9 maanden en 22 dagen’ na dato.

Tell was toen op het hoogtepunt van zijn roem. En hoewel de historici met steeds meer zekerheid konden vertellen dat alle belangrijke elementen van zijn heldenverhaal – het appelschot, de tweede pijl, de wraak – al te vinden waren bij de Deense kroniekschrijver Saxo Grammaticus (ca 1200), bleef hij nog lang hét symbool van gerechtvaardigde revolutie. Geen wonder dus dat opvoeringen van het stuk werden verboden tijdens de bezetting van het Rijn- en Roergebied door de Fransen en de Belgen (1922) én twintig jaar later in het Berlijn van Hitler. Of dat de matige verfilming uit 1961 een prijs kreeg in de Sovjet-Unie wegens de mooie verbeelding van een boerenopstand. De 19de-eeuwse volkskundige Georg Thürer zei het al: ‘Altijd wanneer despotisme dreigt, verschijnt Tell als een geest uit oer-Zwitserse bodem.’

De deur van de kapel blijkt niet op slot. Ik zet een paar stappen in de sobere gebedsruimte en draai me om. Boven de deur aan de binnenmuur zie ik nóg een fresco van Bachmann. Een heel toepasselijk, met woest water alom. Het verbeeldt de laatste strijd van Tell, als hij kopje-onder gaat in de Schächenbach na het redden van een kind. Eigenlijk een veel grotere heldendaad dan het bewijzen van je schietkunst of het wraaknemen op een machtige sadist. Maar voor mythologische helden gelden andere maatstaven. ‘Erzählen wird man von dem Schützen Tell,’ luidt het beroemdste vers uit Wilhelm Tell. ‘So lang Berge stehn auf ihrem Grunde.’ Zonder de appel en de pijl had Schiller dat nooit geschreven.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van Lily Stunzi (ed.) ‘Tell. Werden und Wandern eines Mythos’ (Hallwag Verlag, 1973), Wikipedia en Wilfried Uitterhoeves Tell-lemma in ‘Van Abélard tot de Zwaanridder’ (SUN, 2008). Dit is (na Uilenspiegel, Leonidas, de Golem, Macbeth, Don Juan, Brandaan en Münchhausen) de 8ste aflevering van een serie over literaire helden met historische wortels.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Radetzkymars

In het stuk De eed, de pijl, de appel, de sprong en het schot (30 oktober, Boeken, pagina 8 en 9) staat dat het lied ‘Tieten kont tieten kont’ in Jan Wolkers’ Turks fruit op de wijs is van Rossini’s Ouverture Guillaume Tell. De melodie is echter van de Radetzkymars van Strauss.