De alzheimer-economie

Het is voorbij.

Na vier kwartalen van krimp staat de Amerikaanse economie sinds gisteren weer in de plus. Het Bureau of Economic Analysis publiceerde traditiegetrouw een eerste raming over de prestaties in het derde kwartaal en wat bleek? Een groei van maar liefst 3,5 procent op jaarbasis.

Daarmee komt in één klap een eind aan de langste recessie sinds het BEA begon met het meten van de economie, 1947. En waarschijnlijk ook aan de langste en diepste recessie sinds de Grote Depressie van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Dat nieuws werd wereldwijd met gejuich ontvangen. Beursindices schoten omhoog, de dollar daalde ten opzichte van de euro en de yen, Obama’s belangrijkste economisch adviseur Larry Summers klopte zichzelf en de hele regering op de borst voor zoveel daadkracht.

De cijfers laten echter weinig ruimte voor ongebreideld optimisme. Ten eerste zet de BEA, ook traditiegetrouw, een forse disclaimer in haar gisteren verschenen publicatie. Het betreft een voorlopige raming van de groeicijfers, gebaseerd op onvolledige data. Eind november volgt een nieuwe, beter gefundeerde schatting van de groei. De BEA weet veelal de richting wel juist te voorspellen, overigens.

Belangrijker nog is de manier waarop het groeicijfer tot stand is gekomen. Op het eerste gezicht zijn het met name de consumentenbestedingen die het grootste deel van de groei hebben aangejaagd. Die namen met 2,4 procentpunt toe, tegenover een krimp van 0,9 procentpunt in het voorgaande kwartaal. Dat lijkt goed nieuws, omdat dat zou betekenen dat consumenten weer vertrouwen hebben in de toekomst en geld gaan uitgeven.

De werkelijkheid is echter minder florissant. De extra consumentenbestedingen zijn voornamelijk veroorzaakt door gerichte maatregelen van de overheid. Lastenverlichting dus, en dan nog incidenteel ook. De cash-for-clunkers regeling (slooppremie voor oude auto’s) is daar een voorbeeld van (goed voor 0,5 procentpunt groei), net als de 8.000 dollar premie die nieuwkomers op de huizenmarkt kregen van de Staat. Dat soort effecten ebt snel weg uit de cijfers, hetgeen het risico op een nieuwe neergang reëel maakt.

Daar komt bij dat de toename in particuliere consumptie ten koste gaat van de Amerikaanse spaarzin. Waar in het tweede kwartaal nog 4,9 procent werd genoteerd als spaarquote, is dat nu gedaald tot 3,4 procent.

Dat duidt erop dat de Amerikanen een jaar na het uitbreken van de recessie de belangrijkste les van de crisis alweer zijn vergeten: een op schulden gebaseerde zeepbeleconomie is gedoemd om regelmatig uiteen te spatten.

Egbert Kalse