Bang zijn

‘Ik ga kastanjes zoeken in het bos”, zegt Rintje. „Gaan jullie mee?”

„Ja leuk”, zegt Tobias. „En misschien vinden we ook wel mooie paddenstoelen! Ga je ook mee Henriette?”

„Ik weet het niet”, zegt Henriette. Ze trekt een heel ernstig gezicht. „Ik ben in de herfst vaak bang in het bos.”

„Bang in het bos?” zegt Rintje. „Er is helemaal niets om bang voor te zijn!”

„Toch wel”, zegt Henriette. „In de herfst is het spinnentijd, dus zijn er heel veel spinnen in het bos.”

„Maar misschien komen we helemaal geen spinnen tegen”, zegt Rintje. „Dan heeft het helemaal geen zin om er nu al bang voor te zijn.”

„En als we toch een spin zien, beloven we dat we hem wegjagen!” zegt Tobias.

„Nou vooruit”, zegt Henriette. „Als jullie dat beloven, dan ga ik mee!”

Als ze in het bos zijn gaan ze op zoek naar mooie kastanjes en paddenstoelen.

Rintje heeft zijn rugzak meegenomen, daar kunnen ze alles wat ze vinden in stoppen.

„Kijk, een paddenstoel uit een sprookjesboek, rood met witte stippen!” zegt Tobias.

„Die moeten we laten staan, hoor”, zegt Rintje. „We mogen ze alleen meenemen als ze per ongeluk al afgebroken zijn!”

Opeens ziet Rintje in een struik een spin zitten. „Henriette”, zegt hij, „kijk eens wat een prachtige kleur de bladeren van die boom hebben!” Hij wijst naar een boom aan de andere kant.

Terwijl Henriette naar de bladeren kijkt, jaagt hij snel de spin weg.

„Heel mooi”, zegt Henriette, „maar nu wil ik wel eens wat anders gaan doen. Zullen we naar de grote open plek in het bos lopen? Daar kunnen we tikkertje spelen of verstoppertje doen!”

Tobias kijkt opeens een beetje bang. „Ik wil daar liever niet naar toe”, zegt hij. „Daar zijn altijd heel veel grote honden!”

„Maar daar hoef je toch niet bang voor te zijn?” zegt Rintje.

„Soms maken ze rotopmerkingen”, zegt Tobias. „Omdat ik zulke korte pootjes heb.”

„Het is net als met de spinnen waar Henriette bang voor was”, zegt Rintje. „Misschien zijn ze er wel helemaal niet en dan hoef je ook niet ongerust te zijn. We gaan eerst eens kijken.”

„Vooruit dan”, zegt Tobias. „Als jullie beloven om me te helpen als er wel honden zijn die me pesten!”

„Beloofd”, zeggen Henriette en Rintje.

Op de open plek zijn helemaal geen andere honden en ze spelen een hele tijd met z’n drieën.

„Ben jij nooit ergens bang voor?” vragen Henriette en Tobias aan Rintje.

„Nee, helemaal nooit”, zegt Rintje. „O ja toch”, zegt hij. „Er is een ding waar ik bang voor ben: dat ik helemaal alleen op de wereld ben, zonder vrienden.”

„Dat zal nooit gebeuren!” zeggen Henriette en Tobias tegelijk en ze geven Rintje een dikke knuffel.