Anekdote van niets over Theo van Gogh

De Duitse dichter Gustav Schwab (1792-1850) wijdde er zijn bekendste gedicht aan: Der Reiter und der Bodensee. De hedendaagse schrijver Peter Handke maakte er een toneelstuk van: Der Ritt über den Bodensee (1971). Onderwerp: de kracht van een gebeurtenis die niet heeft plaatsgevonden.

Het verhaal luidt als volgt : een ruiter rijdt, haastig, door een besneeuwd landschap naar een plaats aan het Bodenmeer, op de Duits-Zwitserse grens. Op de plaats van bestemming aangekomen, wordt hij verwelkomd door de dorpelingen. Die zijn verbaasd over zijn komst uit noordelijke richting. Want het Bodenmeer is erg diep en het ijs nooit dik genoeg om er te paard over heen te rijden. Pogingen daartoe heeft nog niemand overleefd.

De ruiter, die omdat alles wit besneeuwd was helemaal niet gemerkt heeft dat hij over een meer reed en dus ook niet bang is geweest, schrikt met terugwerkende kracht zó, dat hij van zijn paard valt en sterft. Als ik denk aan de dag dat Theo van Gogh vermoord werd – bij mij om de hoek en maandag vijf jaar geleden – dan denk ik aan de ruiter op het Bodenmeer.

Ik was toevallig thuis toen de krant belde: het gerucht ging dat vlakbij Theo van Gogh was vermoord en of ik, als goed journalist, dat even wilde checken. Samen met mijn buurman, journalist van een andere krant, moesten we even zoeken in de buurt, voor we de plek des onheils vonden.

Voor de Chinees op de hoek van de Linnaeus- met de Tweede Oosterparkstraat (en niet op de plaats waar later dagenlang bloemen werden gelegd, want die kwam beter uit met de verkeerscirculatie) stonden we opeens op vijf meter afstand van een lijk onder een wit laken.

Het leek zo ontzettend onwaarschijnlijk dat onder dat laken echt Van Gogh zou liggen – net iets te veel jongensboek. De buurtbewoners die we spraken, verschaften over de identiteit van het lijk geen uitsluitsel.

Net als half Amsterdam kende ik Van Gogh een beetje. Hij had mij een week tevoren nog op straat staande gehouden om vreselijk trots te vertellen dat hij een Belgische moslim-politicus tijdens een forumdiscussie voor ‘pooier van de profeet’ had uitgemaakt en dat deze daarop boos was weggelopen. Alsof hij een heldendaad had verricht.

Kortom – ik had zijn 06’je dus ingeprogrammeerd in mijn mobiele telefoon, en belde – staande naast het lijk onder het laken – in de verwachting dat er ‘ja hallo met Theo’ zou klinken. Dan had ik als journalist tenminste die wat al te interessant klinkende mogelijkheid geëlimineerd. Het zou wel weer zo’n Bulgaarse maffioso zijn, die hier was omgelegd.

Het nummer was buiten bedrijf. Overbelast denk ik – ik was vast de enige niet die op dat moment probeerde Theo van Gogh te bellen. Toen een uurtje later de politie bevestigde wie er lag, ben ik alsnog vreselijk geschrokken van iets wat zich niet had voorgedaan: dat het op mijn belletje onder dat laken was gaan piepen of rinkelen.

Enfin, het is een anekdote van niets. Ik ben, in tegenstelling tot de ruiter over het Bodenmeer, tenslotte die dag niet overleden. Theo wel. Met op zijn lijf gespietst een brief, waaruit bleek dat zijn dood eigenlijk iemand anders gold. Ook niet gek, in de categorie onwaarschijnlijke gebeurtenissen.

Ik heb er nog steeds moeite mee te bedenken, dat Theo van Gogh wel echt dood is.