Wel/geen recht op stufi

Moet je in Nederland hebben gewoond om recht op studiefinanciering te hebben?

Het ministerie van Onderwijs vindt van wel, maar het Europees Hof misschien niet.

Stel, een Poolse man heeft een fulltime baan in Nederland, maar zijn zoon woont in Warschau. Als die oud genoeg is wil hij gaan studeren in die stad. Heeft hij dan recht op studiefinanciering uit Nederland?

Natuurlijk niet, vindt de Nederlandse regering: die jongen heeft geen binding met ons land, bovendien komt dat geld Nederland op geen enkele manier ten goede – dat stroomt slechts het land uit.

Daarom bestaat sinds 2007, toen het in Nederland mogelijk werd je studiefinanciering mee te nemen naar het buitenland, de woonplaatsvereiste: om recht te hebben op dat geld moet je van de afgelopen zes jaar minstens de helft van de tijd in Nederland hebben gewoond.

Dat is een discriminerende eis, vindt Diederik Verweyen. Hij diende namens de Vereniging voor Grensarbeiders, een Vlaamse belangengroepering voor mensen die in België wonen en in Nederland werken, een klacht in bij de Europese Commissie. Die daagde het Nederlandse ministerie van Onderwijs onlangs voor het Europees Hof van Justitie, omdat het ministerie niet van zins bleek de wet te veranderen.

Volgens Verweyen is het „alleen maar eerlijk” dat die Poolse zoon Nederlandse studiefinanciering zou krijgen. „Een werknemer in Nederland betaalt allerlei sociale premies, dan moet hij daar ook de voordelen van kunnen plukken. Dat geldt ook voor zijn kinderen.”

Verweyens klacht namens de bijna zevenhonderd leden van zijn vereniging is vooral een principekwestie, vertelt hij: „Er heeft nog niemand serieus last van. Mensen vragen simpelweg geen Nederlandse studiefinanciering aan, omdat ze er toch van uit gaan dat dat niet mag. Ze hebben mogelijk wel recht op Belgische studiefinanciering, maar dat is een stuk minder geld en heeft meer de vorm van verlengde kinderbijslag: de ouders krijgen het geld.”

Hij vroeg in 2007 aan minister Plasterk om een oplossing, nadat ook de Nederlandse Raad van State geconstateerd had dat grensarbeiders ten onrechte benadeeld werden door de regel. „Er kwam al snel een overgangsregel voor de grensstreek: in Vlaanderen, Brussel en de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en Bremen geldt de eis nu niet.” Maar die aanpassing is onvoldoende, vindt Verweyen: „De kinderen van grensarbeiders kunnen daardoor in Nederland en in de grensstreek studeren, maar nog steeds niet daarbuiten.”

De ‘3-uit-6-eis’ is niet discriminerend, vindt het Nederlandse ministerie van Onderwijs, omdat de eis net zo zeer geldt voor Nederlanders als andere EU-burgers. De Europese Commissie is het daar niet mee eens: de eis discrimineert indirect wel degelijk, omdat Nederlanders er veel makkelijker aan kunnen voldoen dan buitenlanders.

In eerdere zaken oordeelde het Hof dat er een bepaalde mate van binding (bijvoorbeeld een baan of een paar jaar woonduur) mag worden verwacht van een buitenlandse student die studiefinanciering aanvraagt. Aan de andere kant mag een student niet al te veel belemmerd worden in zijn wens in een ander EU-land te studeren. De lidstaten spraken tien jaar geleden al af om uitwisseling van studenten te stimuleren.

In een soortgelijke zaak maakte het Hof een jaar geleden daarom korte metten met de Duitse eis voor het meenemen van studiefinanciering naar het buitenland: om daarvoor in aanmerking te komen moesten studenten eerst een jaar in Duitsland studeren, pas daarna mochten ze het geld meenemen. Een te grote belemmering, oordeelde het Hof.

Het opheffen van de 3-uit-6-regel zou volgens het ministerie van Onderijs een „onacceptabel financieel risico” met zich meebrengen, zegt woordvoerder Job Slok van minister Plasterk. „We kunnen voorspellen dat studenten uit andere EU-landen zonder enige band met Nederland hierheen zullen komen om studiefinanciering op te halen”, zegt hij.

Dat Nederland nu op het matje geroepen wordt, komt niet doordat het zulke uitzonderlijke eisen stelt, betoogt Slok: andere EU-landen hebben vergelijkbare regels voor het meenemen van studiefinanciering. Maar in Nederland wordt „een stevige grensarbeiderslobby gevoerd. Als de Commissie gelijk krijgt van het Europese Hof, zullen ook andere landen hun regelgeving moeten aanpassen.”

Met het beroep op de financiële houdbaarheid van het systeem maakt Nederland „een heel behoorlijke kans” in het gelijk gesteld te worden. Dat zegt Ronald van Ooik, docent aan de Universiteit van Amsterdam en specialist op het gebied van studiebeurzen in Europees verband. Nederland heeft met deze zaak last van zijn vooruitstrevende houding, vindt Van Ooik: „De meeste andere EU-landen kennen helemaal geen ‘meeneembaarheid’ van studiefinanciering. Dat is ook niet verplicht. Alleen: als zij dat vrijwillig doen, dan moeten zij er voor zorgen dat hun exportregeling ook ‘EU-proof’ is. Helemaal afzien van meeneembaarheid is dus het veiligst en het goedkoopst, maar dit stuit weer op het bezwaar dat de politiek graag het studeren over de grens heen wil bevorderen.”