Waar je van die negerknuffelaars op de hak neemt, toch?

Terwijl ik me afvroeg of ik de selderijdraadjes uit mijn Bloody Mary kon gebruiken om mijn tanden mee te flossen, kwam er een jongen naast me staan die me nauwlettend bekeek. Ik dacht eerst dat het kwam doordat ik me eerder die avond had vermaakt met een magic marker en nu in krullende letters ‘mama’ in mijn nek had staan, maar hij vroeg: „Jij hebt toch een boek geschreven? Over vrijwilligers?” Ik knikte. „Waar je van die negerknuffelaars op de hak neemt, toch?” vulde hij aan. Hier wilde ik iets tegen in brengen, maar hij ging verder: „Het is naïef om te geloven dat wij de wereld kunnen veranderen. Dat we nog steeds aan ontwikkelingshulp doen is belachelijk. Alsof dat ooit geholpen heeft.” Voordat ik kon zeggen dat ik het daar niet mee eens ben, vond hij twee zoute stokjes die hij in zijn mond deed om een walrus na te doen. Waardoor een serieus weerwoord enigszins onmogelijk werd. Met zijn cynisme in mijn achterhoofd ga ik naar een debat over de nieuwe aanpak binnen ontwikkelingswerk. De debatleider legt uit waar we het precies over gaan hebben: als we gaan specialiseren binnen de ontwikkelingshulp, waar kunnen we als Nederland dan het beste voor kiezen, waterbeheer of landbouw? „Een intellectuele exercitie”, voegt hij toe. „Er worden vanavond uiteraard geen beslissingen gemaakt.” Al snel blijkt dat 39 procent van het publiek aandelen bezit in het waterbeheer of de landbouw, dan wel werkt als waterbeheerder/landbouwer, of getrouwd is met een dijk of akker. Zodra er ruimte is voor vragen uit het publiek staan mensen klaar met kritiek, doorspekt met jargon als rain-fed agriculture en carbon credits. Dan staat een grote man op. „Het is toch aanmátigend, dat jullie zo’n keuze willen maken! Ik sta op het punt de zaal te verlaten!” Een andere vrouw roept: „En ik zie weer geen enkele Afrikaan, hè. Wij hebben het over hen, maar ze moeten toch eerst zelf initiatief tonen?” „Ik ben een Afrikaanse boer!” galmt een kleine blanke man door de zaal. „Ik woon sinds de jaren 70 in Ghana en heb de allergrootste ananasplantage. Maar die landen gaan nooit initiatief tonen, ik kan het weten!” Inmiddels voelt het alsof ik naar een vreemd soort klucht aan het kijken ben. Iedereen lijkt al met een kant-en-klare mening binnen te zijn gekomen, of die nou ligt in het waterbeheer, landbouw, of schuldgevoel. Dit maakt een open discussie nogal lastig. Ook hier zit cynisme, en ik begin hevig te verlangen naar het moment waarop de man met de grootste ananasplantage van Ghana met twee rietjes in zijn mond een walrus nadoet. Het beste komt als laatste, als verzuchting: „Ja, het is ingewikkeld. Maar we moeten blijven kijken wat we wél kunnen doen.”

Aaf is met zwangerschapsverlof.