'Kloof arm en rijk groter door globalisering'

Bisschop Ramazzini ziet in zijn bisdom in Guatemala hoe veel mensen maar net overleven. Er wordt door niemand werk gemaakt van verdeling van de welvaart.

Vraag monseigneur Álvaro Ramazzini of hij nooit problemen heeft met het Vaticaan, en hij grijnst: „Nog niet.” De Guatemalteekse bisschop staat in eigen land bekend om zijn linkse, activistische inslag. Landloze boeren, uitgebuite arbeiders en milieu- en mensenrechtenactivisten genieten zijn steun. Ramazzini – die deze week even in Nederland was – stelt zich met zijn bisdom in dienst van hun strijd.

In het gewelddadige en wetteloze Guatemala biedt zulke bisschoppelijke bescherming echter geen immuniteit. Zo was Ramazzini vorige week pas een paar dagen van huis toen de voorman van een aan de kerk gelieerde actiegroep werd vermoord. De 45-jarige Victor Galvez streed tegen het Spaanse energiebedrijf Unión Fenosa, die de lokale bevolking een te hoge stroomprijs zou rekenen. Na een aanslag eerder dit jaar te hebben overleefd, werd Galvez zaterdag alsnog doodgeschoten.

Ramazzini: „Guatemala is in Latijns-Amerika een van de samenlevingen met de grootste inkomensongelijkheid. Bedrijven en grond zijn in Guatemala in handen van een zeer klein aantal families. En deze concentratie van welvaart neemt door de globalisering alleen maar verder toe.”

Fenosa is niet de enige multinational waartegen Ramazzini zich verzet. Hij neemt het ook op tegen het Canadese bedrijf Goldcorp dat een vervuilende goudmijn in de regio exploiteert. En de bisschop verzette zich enkele jaren terug tot in het Amerikaanse Congres tegen het vrijhandelsverdrag dat zijn land uiteindelijk sloot met de VS.

In zijn eigen bisdom San Marcos is zeker 80 procent van de bevolking arm. „Een kleine groep landeigenaren bezit veel grond, voor de teelt van koffie, bananen en oliepalm. Allemaal voor de export. En dan is er de grote meerderheid van de bevolking die boert op kleine akkertjes, om te voorzien in het eigen onderhoud, wat amper gaat.”

De armoede neemt hierdoor toe, evenals de honger. „Vooral ondervoeding bij kinderen is een groot probleem. Men overleeft maar net.”

De regio grenst daarbij ook nog eens aan Chiapas, een van de armste deelstaten van buurland Mexico. „Wij hebben alle problemen van een grensstreek: prostitutie, contrabande en in toenemende mate drugshandel.” Colombiaanse cocaïne wordt hier doorgevoerd naar Mexico en de VS, er wordt marihuana geteeld en „recentelijk ook steeds meer papaver”.

De situatie is ook niet verbeterd met het aantreden van president Colom, begin 2008. Als kandidaat van een sociaal-democratische partij gold hij als de eerste linkse president sinds 1954. Hij won het presidentschap dankzij steun van de arme, voornamelijk inheemse plattelandsbevolking. Kiezers zoals de inwoners van San Marcos.

Ramazzini is teleurgesteld in Colom: „Hij is alleen in naam een sociaal-democraat.” De bisschop wijst naar Bolivia en Ecuador als voorbeelden hoe het volgens hem ook kan. „Daar laten de presidenten Morales en Correa buitenlandse bedrijven meer betalen voor het winnen van natuurlijke grondstoffen. Wij blijven ze praktisch gratis weggeven.”

Colom heeft niets concreets gedaan om de welvaart structureel eerlijker te verdelen, zegt hij. „Misschien dat hij in het diepst in zijn hart meer zou willen doen, maar het komt er niet van. Hij heeft bijvoorbeeld nog geen begin gemaakt met de belastinghervorming waarop het land al zo lang wacht.”

Of dit nu onwil of onmacht is van Colom – de bewegingsvrijheid van de president is in ieder geval klein. De macht van de tegenstanders van werkelijke verandering is in Guatemala amper te onderschatten. Ten eerste is er de wetgevende macht. „Politici in het Congres willen sowieso alleen zichzelf verrijken.” Wetten om economische activiteit aan strengere regels te onderwerpen, of bedrijven en rijken zwaarder te belasten, worden door hen niet aangenomen.

Guatemala staat daarnaast bekend als een land van de zogenoemde ‘parallelle structuren’. Na het einde van de burgeroorlog, in 1996, maakten corrupte onderdelen van het leger, de politie, paramilitaire groepen en de inlichtingendienst een criminele doorstart.

Samen met de georganiseerde misdaad en bepaalde delen van het bedrijfsleven en de politieke elite maken zij feitelijk de dienst uit. Op bloedige wijze. Jaarlijks worden op een bevolking van 12,7 miljoen inwoners ruim zesduizend moorden gepleegd. In nog geen 2 procent van de gevallen gaat justitie tot vervolging over.

Opsporingsautoriteiten en politie in het land kunnen eigenlijk al jaren geen rechtstaat handhaven. Hier staat tegenover, zegt Ramazzini, dat zij ineens wél daadkracht tonen wanneer burgers zich verzetten tegen economische belangen. In zijn bisdom worden actievoerders tegen mijnbouw of tegen multinationals regelmatig opgepakt en aangeklaagd.

Het maakt het lastig mensen te mobiliseren. „‘Waarom nog een vergadering, waarom nog een bijeenkomst?’, vragen ze. ‘Het helpt toch niet.’ De rest berust in hun lot: ‘Dit is blijkbaar wat God met me voorheeft’. Weer anderen zeggen het gewoon hardop: ‘We zijn bang om vermoord te worden’.”