Het gist hier in de gerwijken van Mongolië

Mongolië profiteert van de hoge grondstoffenprijzen.

Het land staat zelfs een nieuwe indrukwekkende groeispurt te wachten.

De Boulevard van de Vrede in de Mongoolse hoofdstad Ulan Bator heeft een nieuwe asfaltlaag gekregen. Vers teer schittert in de zon. Meisjes trippelen alweer over de populaire boulevard in het hart van de stad. Een paar jongens popelen om met hun dure auto’s de blits te maken op het nieuwe asfalt.

Dankzij de hoge wereldprijzen van koper, goud, uranium, steenkolen en kasjmier waar het land rijk aan is, groeit de Mongoolse economie al een aantal jaren met bijna 10 procent. In Ulan Bator verrijzen spiegelende kantoorgebouwen. Nieuwe rijken betrekken datsja’s aan de groene zomen van de stad.

Mongolië is het enige land in post-communistisch Centraal-Azië dat democratie hand in hand laat gaan met economische bloei en vooruitgang. Maar toen kwam de wereldwijde economische crisis.

De bodem werd onder de grondstoffenhausse weggeslagen. De mijnbouwinkomsten verdampten. Er volgde een kettingreactie. Ondersteunende sectoren als retail en dienstverlening zagen hun inkomsten kelderen. Aan de groei kwam een eind. Wie geld geleend had, kon dat niet terugbetalen. Banken raakten in de problemen, de kredietverstrekking stokte. De bouw, die van die kredieten leeft, kwam stil te liggen. Stille getuige daarvan is het fonkelende kantoor aan het Soechbaatarplein, waarvan al maanden de laatste blauwe spiegelpanelen ontbreken.

Arshad Sayed, het Pakistaanse hoofd van de Mongoolse afdeling van de Wereldbank, in zijn kantoor in de hoofdstad: „Het was de boom en bust in de grondstoffensector die dit land hard onderuithaalde.” Voor 2009 wordt de economische groei geraamd op hooguit 2 procent.

Maar zie, de grondstoffenprijzen krabbelen alweer op. En hoe. De goudprijs breekt zelfs records. Koper is terug op de helft van het record van 2008. Schertsend wordt wel gezegd dat in de bodem van Mongolië alle elementen van het periodieke stelsel zitten. Mongolië staat opnieuw een groeispurt te wachten, die nog indrukwekkender zal zijn. „De echte boom moet nog beginnen”, zegt onafhankelijk blogger Ganbat Namjilsangarav, die geldt als een expert op het gebied van mijnbouw in zijn land. Aan superlatieven ontbreekt het niet. Binnenkort zal een begin worden gemaakt met een aantal nieuwe mijnprojecten waarbij alle vorige verbleken. Hoofdredacteur Bolormaa Luntan van maandblad The Mongolian Mining Journal zegt: „Er is genoeg om een nieuw tijdperk van ontwikkeling in te gaan.”

Alle aandacht gaat daarbij uit naar de Gobiwoestijn in het zuiden van het land. Daar, in Oyu Tolgoi (Groene Heuvel), bevinden zich ’s werelds grootste winbare koperreserve en op één na grootste goudreserve, met een waarde van 200 miljard dollar (38 keer het Mongoolse bruto binnenlands product). Begin deze maand werd er met het Canadese mijnbouwbedrijf Ivanhoe (voor 50 procent in handen van de Brits-Australische mijnreus Rio Tinto) een langverwachte miljardendeal gesloten. Oyungerel Tsedevdamba, adviseur van de Mongoolse president, noemt de mijnen „de hoop van Mongolië”.

De groei kwam de bevoorrechten ten goede. Ze duurde te kort om de armen te bereiken. 36 procent van de bevolking leeft nog van 1 of 2 dollar per dag, zoals de straatkinderen die ’s winters in de riolen slapen omdat de waterleidingen nog wat warmte afgeven. Sinds de groei in 2005 begon, is dat percentage ongewijzigd gebleven. Alleen de kleine elite met wortels in de Sovjettijd breidde zich met nieuwe rijken uit, en er ontstond het begin van een middenklasse.

Onder de honderdduizenden Mongolen in de gerwijken, aan de rand van de stad, (ger is de traditionele nomadentent waarmee het daar vol staat) heerst ontevredenheid nu zij de nieuwe rijkdom zien. Het volk mort.

De machthebbers zouden alleen aan zichzelf denken. De buitenlandse mijnbouwbedrijven (waarvan Mongolië afhankelijk is bij het delven omdat het zelf de middelen en de techniek niet heeft) zouden het land wurgcontracten opdringen. „De buitenlanders plunderen ons land”, zegt Oogii (26), die vanaf het platteland naar de stad is getrokken om als schoonmaker en reisgids de kost te verdienen. De roep om meer, voor Mongolië – maar vooral ook voor de arme Mongool – klinkt elke dag luider. Het gist in de gerwijken.

De ontevredenheid onder de bevolking is overgeslagen naar de politiek. Tussen de regerende MPRP (de voormalige Communistische Partij) en de Democratische Partij, de belangrijkste oppositiepartij, woedt een felle strijd. De oppositie eist wijziging van de mijnwet die gunstig voor buitenlandse bedrijven is. Zij wil dat Mongolië bij nieuwe deals automatisch een groter belang krijgt. De ex-communisten, die de wet in 1997 invoerden maar inmiddels zijn bekeerd, slaan terug door een nog groter belang voor Mongolië te eisen. Sinds vorige maand is er een compromis.

Om het volk te paaien beloofden de ex-communisten (die in Mongolië nog communisten worden genoemd) iedereen geld als de deal met het Canadese mijnbouwbedrijf Ivanhoe rond zou komen. De Democraten beloofden nog meer. 1.000 dollar per persoon, boden de ex-communisten, wat de staat in totaal zo’n 2,5 miljard dollar zou kosten, zegt Sumati Luvsandev, een onafhankelijke politiek analist. „De totale overheidsbegroting”, roept hij uit. „Maar dat is wel het laatste waar ze aan dachten toen ze die beloftes deden.”

Investeringen in onderwijs, infrastructuur, en vooral diversificatie van de economie zouden Mongolië meer helpen. Een westerse diplomaat zegt: „Een potje jam uit Argentinië kan hier concurreren met een potje jam uit eigen land”, omdat de infrastructuur in Mongolië zo slecht is dat het een fortuin kost om de jam van het platteland naar de stad te brengen.

Als altijd in arme landen waar opeens het geld binnenstroomt, groeit in Mongolië de corruptie met de dag. President Elbegdorj beloofde de vloer aan te vegen met corrupte politici en ambtenaren. Maar zijn eerste stap als staatshoofd was amnestie verlenen aan 2.000 mensen, van wie velen vastzaten voor corruptie.

In een zeldzaam interview met buitenlandse media zei de president dat zijn land dankzij de grondstoffen bij de tien rijkste landen ter wereld hoort, per hoofd van de bevolking gerekend.

Volgens hoofdredacteur Luntan klopt dat in potentie. Maar zij zegt ook: „Als we wijze beslissingen nemen, worden we welvarend. Maar nemen we de verkeerde beslissingen, dan gebeurt waarschijnlijk het tegenovergestelde.”