Europa als machtsproject

‘Op straffe van zijn eigen marginalisering zal Europa zich moeten omvormen van een vredesproject naar een machtsproject. Het vredesproject Europa draait om moraliteit, verzoeningsbereidheid en idealisme. In het machtsproject is Europa een politieke daad, die vraagt om oordeelskracht en herdefiniëring van het eigenbelang.”

Aldus Luuk van Middelaar in het herfstnummer van Christen Democratische Verkenningen (CDV), dat gewijd is aan het thema ‘Krachtproef Europa’. Andere bijdragen in dit nummer constateren eveneens dat ‘Europa’ niet meer beantwoordt aan het idealisme van degenen die het bijna zestig jaar geleden hebben gelanceerd.

Sommige auteurs doen dit met pijn in het hart en roepen op tot een nieuw elan. Anderen willen geen nieuw grand design, omdat Europa al aan zijn grenzen zit. Weer anderen achten de geleidelijke overgang van Europese bevlogenheid naar zakelijkheid als een onvermijdelijk proces, dat ze noch betreuren noch toejuichen.

Zelf bevind ik mij, als waarnemer, eerder onder de laatsten dan de eersten, maar al die bijdragen gelezen hebbende, vraag ik mij af of er werkelijk sprake is van een tegenstelling tussen vredesproject en machtsproject. Macht is toch niet per se in strijd met vrede? Macht kan zelfs vrede dienen (zoals in Uruzgan). En: gaat niet alle politiek – binnen- en buitenlandse – om macht?

Laten we met het begin beginnen: het jaar 1950. Toen werden kolen en staal nog als het hart van de oorlogsindustrie van een land gezien. Duitsland, dat elf jaar tevoren de Tweede Wereldoorlog had ontketend, mocht dus niet meer vrijelijk beschikken over zijn eigen kolen en staal. Het Roergebied werd dan ook onder controle van de westerse geallieerden gebracht.

Maar dat zou niet lang duren. Het was te voorzien dat de West-Duitsers, die sinds september 1949 hun eerste regering hadden, op z’n minst medezeggenschap zouden eisen. Dit bracht Parijs in een dilemma. Tussen 1921 en 1925 had Frankrijk het Roergebied nog militair kunnen bezetten. Daar zou nu geen sprake meer van kunnen zijn, al was het slechts omdat het Roergebied zich nu in de Britse militaire bezettingszone bevond en de Britten kennelijk zo gauw mogelijk van die last af wilden zijn.

Toen kwam de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Robert Schuman, op 9 mei 1950 met een briljant plan: laten we de hele Europese kolen- en staalindustrie onder Europees supranationaal gezag plaatsen. Zo ontstond ‘Europa’. Schuman presenteerde het plan als het begin van een „Europese federatie, die onontbeerlijk is voor het behoud van de vrede”.

Het was dus inderdaad een vredesproject, maar het was tevens een machtsproject. Immers, het ging erom de Duitsers de macht over hun eigen kolen- en staalindustrie te onthouden. Kon dat niet via een militaire bezetting, zoals na de Eerste Wereldoorlog, dan zat er niets anders op dan het te bereiken via een supranationaal project, waarin de Duitsers evenveel bevoegdheden zouden hebben als de andere deelnemers.

Natuurlijk sloot dit plan prachtig aan bij de meer idealistische plannen van diegenen die in Europa al vóór die tijd ijverden voor Europese verzoening en een Europese federatie. Daar hadden de Europese regeringen zich nog niet achter geschaard, maar nu leek het of zij – althans zes van hen – dat wél zouden doen. Vandaar algemene geestdrift.

Te midden van die geestdrift werd echter wel uit het oog verloren dat het plan-Schuman tevens een machtsproject was. Anders had Schuman het ook niet in eigen land hebben kunnen verkopen. Maar na twee jaar was Schuman weg. Een volgende regering kwam nog wel met een plan om de Europese strijdkrachten onder één, supranationaal, gezag te plaatsen, maar dat was een brug te ver. Zó ver gingen de Franse eurogeestdrift en verzoeningsgezindheid niet.

Vanaf dat ogenblik – omstreeks 1954 – heeft de Europese zakelijkheid het overgenomen van de Europese bevlogenheid. De toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, J.W. Beyen, die in 1955 de stoot gaf aan de Europese Economische Gemeenschap (EEG), was dan ook eerder een zakelijk dan idealistisch man.

Generaal de Gaulle, die in 1958 aan de macht kwam, was dan wel anti-supranationalist en anti-federalist, maar ook zijn Europapolitiek had ten doel Duitsland zo sterk te omarmen dat het geen zelfstandige macht zou kunnen zijn. Dit is sindsdien de ratio van alle Franse regeringen geweest. Zo dwong Mitterrand Duitsland de euro af, omdat hij onder het dictaat van de D-mark uit wilde komen. Machtspolitiek in optima forma.

Het ironische is dat de bevlogen ‘Europeanen’ daar niet tegen konden protesteren, omdat die machtspolitiek Europa vooruit hielp. Dit betekent dat het Europese project door nationale belangen wordt gedreven, want geen staat heeft er belang bij met het project te breken. Maar het betekent ook dat het aanvankelijke idealisme steeds meer terrein verloor. Het was irrelevant geworden.

Maar de lidstaten van de EU zijn democratieën, en dat betekent dat het onzeker is of de Europese eenheid blijft beantwoorden aan de nationale belangen zoals die door de diverse volken worden gepercipieerd. Het eens zo eurogezinde Nederland stemde op 1 juni 2005 tegen de Europese grondwet. Vox populi (die het niet altijd bij het rechte eind heeft).

Onzekerheid heerst dus. Ook bij het CDA, Nederlands grootste partij, waartoe de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken behoren. Zijn programma over 2002-2006 schreef nog over Europa „als een federale unie van staten”, maar nu wordt – aldus een redactioneel artikel in CDV – niet langer over Europese integratie, maar over Europese samenwerking gesproken.

Ook constateert het dat „Europa als vredesproject bij lange na niet voldoende is om de jongere (...) generatie voor Europa te winnen”. Europa als machtsproject dan wel? Dat valt helemaal buiten de Nederlandse traditie. Wij hebben moeite de werkelijkheid te erkennen, en toch is die erkenning nodig, willen we haar veranderen.

U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl of reageren op nrc.nl/heldring