Een hippe of een ordinaire shawl?

Smaak is een zintuig, maar we zijn gewend om er veel meer mee te associëren.

Als je weet waar je het over hebt, kan het zinnig zijn om te discussiëren over smaak.

Haar strak naar achter, kohlpotlood onder mijn ogen, een verwassen spijkerjack aan en een Arafat-shawl om. Hip, vond ik. Ordinair, vond mijn moeder. Over smaak valt niet te twisten, en als je dertien bent is je moeder nog de baas. De shawl kwam het huis niet in. Woedend trok ik een extra dikke streep onder mijn ogen.

Filosoof Maria Hurkens betoogt in Kwestie van smaak, Kant-tekeningen bij Nietzsche aan de hand van Nietzsches gedachtegoed dat er over smaak wel degelijk te twisten valt wanneer je de juiste spelregels in acht neemt. Zelfkritiek is daarbij de sleutel. Volgens Hurkens wordt een discussie over smaak bemoeilijkt omdat mensen proberen de ander van hun ongelijk te overtuigen en hun eigen gelijk met hand en tand verdedigen. Een zinvolle discussie komt pas van de grond wanneer je de ander wat serieuzer neemt – en jezelf wat minder. Een relativistische houding – ‘ik mijn waarheid, jij de jouwe’ – werkt niet, omdat dat een werkelijke confrontatie van opvattingen in de weg staat.

De vraag naar goede smaak wordt uiteraard bepaald door het onderwerp. Letterlijk is smaak niet meer dan één van de vijf zintuigen waar mensen over beschikken, maar in de loop van de geschiedenis heeft smaak ook een andere betekenis gekregen. In de klassieke oudheid waren het goede, het ware en het schone onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de Middeleeuwen verdween de veelomvattende betekenis van smaak, het ging toen om niet meer dan een vrijblijvende, persoonlijke voorkeur. De Spaanse filosoof Gracian (1601-1658) vatte smaak weer breder op: iemand die smaak heeft, weet de dingen op juiste waarde te schatten en zich feilloos te gedragen in wisselende en onvoorziene situaties. Smaak is een strategische zet, omdat het erom gaat op passende wijze te reageren op je omgeving. Ook tegenwoordig spreek je over smaak in morele en filosofische zin.

Smaak heeft iets dubbelzinnigs, vindt ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma. „Enerzijds is het heel direct en duidelijk: iets spreekt je aan of niet. Tegelijkertijd vinden we het heel lastig om onder woorden te brengen waarom dat zo is. Daarom zeggen mensen dat over smaak niet te twisten valt, maar eigenlijk doen we natuurlijk niet anders.”

Reden dat het zo moeilijk is om het over smaakkwesties te hebben, is dat smaak zijn oorsprong heeft in een heel basaal waarnemingssysteem dat we ontwikkelen in een preverbaal stadium, zegt Breeuwsma. Tijdens je ontwikkeling kleven er steeds meer associaties aan een bepaalde geur, gerecht, beeld of klank – associaties die hardnekkig zijn en een indringend effect hebben op je latere ervaring.

Breeuwsma geeft eten als voorbeeld. Als kind heb je een voorkeur voor zoet, dat is biologisch bepaald. Maar tijdens het eten treden er ook allerlei imitatiemechanismen in werking. „De manier waarop ouders met eten omgaan, is van grote invloed op de betekenis die eten krijgt. Is het gezellig, wordt er gepraat aan tafel? Ook dat is van invloed op de smaakontwikkeling.”

Sociologen bekijken smaak vanuit een heel ander perspectief. Ze definiëren smaak als een manier om je te onderscheiden, om je identiteit te vormen, zegt Breeuwsma. „Vroeger liep de elite daarin voorop, zodra de lagere klassen iets – een kunstenaar, muziek – omarmden, liet de elite het vallen. Tegenwoordig is dat niet meer zo duidelijk en verloopt de verschuiving zelfs andersom, worden elementen uit de straatcultuur door de elite opgenomen, bijvoorbeeld in de mode en muziek.”

In hoeverre bepaald gedrag als smakeloos wordt afgedaan, hangt af van de sociaal-maatschappelijke context. Dan heb je het over etiquette. Breeuwsma: „Dat zijn gedragsregels die expliciet maken wat wel en niet tot het domein van de goede smaak behoort. Die regels maken dus ook duidelijk dat dat gedrag daarvóór wél getolereerd werd. In de zestiende eeuw schreef de etiquette bijvoorbeeld voor dat het niet netjes was te braken tijdens schranspartijen. Dat was tot die tijd dus normaal.”

Volgens filosoof Hurkens leven we in een tijd van pluralisme. ‘Niet één waarheid voor iedereen, maar iedereen een eigen waarheid, bepaald door afkomst, cultuur, creativiteit of de mode van het moment’, schrijft ze. ‘Alles is relatief lijkt de enige – niet relatieve – waarheid te zijn die ons nog rest.’ Maar volgens haar valt er, zoals gezegd, nog zeker het een en ander over smaak te zeggen, mits je de discussie op een open manier voert. De vraag is wanneer het zinvol is om die discussie aan te gaan. Dat hangt van een aantal dingen af.

Ten eerste van de vraag of je de bagage hebt om je smaakstandpunt te verdedigen. Een voorbeeld: ik probeerde een vriend te overtuigen van de afzichtelijkheid van het appartementencomplex waar ik vanuit mijn woning op uitkijk. Het gebouw heeft grijs met oranje kozijnen en is opgetrokken uit grauwkleurig steen. Geen balkons, kleine ramen. Volgens mij is het overduidelijk mislukt, de vriend vindt dat het wel meevalt. Ik probeer mijn standpunt te verdedigen. Veel verder dan ongeïnspireerd en zielloos kom ik niet. Wanneer je over smaak wilt twisten, en dus wilt uitleggen waarom je iets goed of slecht vindt, moet je in staat zijn dit te onderbouwen.

Hoe zinnig een discussie over smaak is, hangt ook af van de vraag waar het twistpunt werkelijk over gaat. Het gegeven dat smaak zo’n metaforisch en veelomvattend begrip is, maakt dat niet altijd even duidelijk. De strijd over de Arafat-shawl is hiervan een goed voorbeeld. Het ging mijn moeder niet om de vraag of ik er mooi uitzag, maar om de boodschap die haar dertienjarige dochter in haar ogen uit zou zenden. De Arafat-shawl werd in die tijd gedragen door de asociale hangjeugd uit het dorp – opgevoerde brommers, zware shag, beugels Grolsch – en mijn moeder zag liever niet dat ik me daar mee associeerde. Hier komt het gebruik van de term smaak in de buurt van de gedachtegang van de Spaanse filosoof Garcian: smaak als strategische zet. Want welbeschouwd verschilden mijn moeder en ik niet over de vraag wat mooi was, maar over mijn sociale strategie. Die vond zij als moeder, begrijpelijkerwijs, niet de meest verstandige. Maar omdat de discussie zich op het uiterlijk toespitste terwijl het daar niet om ging, was een zinvol gesprek bij voorbaat uitgesloten.