Duister dubbelspel

Het was een toevallige samenloop van omstandigheden. Toch hebben de zelfmoordaanslag in Kabul op een pension van de Verenigde Naties, de reusachtige autobom in Peshawar waarbij honderd doden vielen én het bericht in de New York Times dat de broer van president Karzai van Afghanistan voor de CIA werkt, veel met elkaar te maken.

De aanslagen in Kabul en Peshawar illustreren de macht van de Talibaan en verwante groeperingen. Dat in Kabul voor het eerst de aanval wordt geopend op de VN, tien dagen voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, is niet alleen een slecht voorteken voor de omstandigheden waaronder die finale stemming wordt gehouden. De aanslag wijst er ook op dat de Talibaan zoveel zelfvertrouwen hebben dat ze hun doelwitten steeds ruimer kiezen.

De bomexplosie in Peshawar, vlak na aankomst in het land van minister Clinton van Buitenlandse Zaken, onderstreept de toenemende verwevenheid van Afghanistan en Pakistan. Maar ze accentueert vooral het magere perspectief op snel succes in de regio. President Obama heeft weliswaar nog geen politieke en militaire beslissingen genomen over zijn nieuwe Afghanistanstrategie, er zijn veel indicaties dat de VS hun extra militaire inzet zullen beperken tot een beperkt aantal stedelijke regio en economische verkeersaders. Als dat inderdaad de uitkomst is van het besluitvormingsproces dat nu gaande is in Washington, dan is de implicatie ervan dat de Amerikaanse regering zich gaat neerleggen bij dominerende Talibaan elders.

In die context krijgt de rol van Ahmed Karzai betekenis. Dit soort dubbelspel is in de regio schering en inslag. De voorlopers van de Talibaan zijn ooit, toen de anticommunistische strijd tegen de Sovjetinterventie in Afghanistan het geopolitieke krachtenveld nog bepaalde, heimelijk geholpen door de CIA.

Het bericht dat de broer van, behalve ’s lands grote drugsdealer, ook een liaison met de Talibaan is en daarvoor zou worden betaald door de Amerikaanse inlichtingendienst, komt niettemin op een politiek ongelukkig moment naar buiten. Karzai heeft het nieuws in de New York Times als „belachelijk” terzijde geschoven. De verdenking, die niet uit de lucht komt vallen en plausibel is, ondermijnt intussen wel de geloofwaardigheid van de middelen van de Amerikaanse regering die juist de strijd met de opiumteelt in Afghanistan zegt aan te binden. Wat kan er terechtkomen van de officiële intentie om Afghanistan te pacificeren en te democratiseren, als er officieus gemene zaak wordt gemaakt met een krijgsheer die verkiezingsuitslagen fraudeert ten gunste van zijn broer de president en tegelijkertijd in zijn bemiddelingsrol van twee walletjes eet bij zowel de CIA als de Talibaan? En, nog belangrijker, hoeveel soldatenlevens is zo’n strategisch spel in de coulissen waard?

President Obama is te kort in functie om hiervoor morele aansprakelijkheid te dragen. Maar zijn politieke verantwoordelijkheid staat door het openlijke geweld in de regio en het eventuele duistere dubbelspel onder zware druk.