'AOW naar 67 jaar is nog maar een kleine stap'

Zonder de hervormingen die hij doorvoerde was het met de werkloosheid in Nederland nu stukken slechter geweest, oppert oud-minister van Sociale Zaken De Geus. Nederland zit evenwel nog midden in de verbouwing van zijn verzorgingsstaat, zegt hij.

Het is een illusie te denken dat de sociale hervormingen in Nederland zich zullen beperken tot de AOW. Aart Jan de Geus, oud-minister van Sociale Zaken (CDA), zegt het beslist. De verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar die het kabinet wil doorvoeren, is voor hem een logische maar kleine stap. Er zal meer nodig zijn. „We zitten middenin de verbouwing van de verzorgingsstaat en die zal zeker nog tien jaar in beslag nemen”, zegt hij.

De Geus (54) weet waarover hij praat. In de eerste drie kabinetten-Balkenende, 2002-2007, schopte hij het als minister van Sociale Zaken tot recordhouder hervormingen: de arbeidsongeschiktheidswet, de bijstand, de werkloosheidswet, vervroegd pensioen (vut), prepensioen.

De vroegere vakbondsbestuurder bij de CNV maakte er bij de grootste vakcentrale FNV bepaald geen vrienden mee. Toenmalig FNV-voorzitter Lodewijk de Waal wist in 2004 het Museumplein in Amsterdam helemaal vol te krijgen met demonstranten tegen de controversiële hervormingen.

Hervormingen die volgens De Geus hun vruchten afwerpen. „Een van de redenen waarom de economische crisis op de arbeidsmarkt in Nederland tot nog toe minder toeslaat dan in andere Europese landen, is te danken aan onze goede economische uitgangspositie toen de kredietcrisis uitbrak. Allerlei hervormingen waren al doorgevoerd”, zegt de voormalig minister.

De Geus was onlangs kort in Nederland op werkbezoek, want sinds twee jaar werkt hij in Parijs als topbestuurder bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Hij heeft bij de internationale denktank, waar dertig ontwikkelde landen in de wereld lid van zijn, net de laatste hand gelegd aan een rapport over sociale en economische hervormingen na de crisis: Making Reform Happen.

De Geus: „Soms is een diepe crisis aanleiding om taboes te doorbreken. Dat is zeker niet altijd het geval. Maar je ziet het in Nederland”, zegt hij verwijzend naar de AOW. „Tegelijkertijd blijkt uit onze studie ook dat grote sociale veranderingen het best gedijen in een aantrekkende economie.” In die zin is het volgens hem momenteel dé tijd om verregaande beslissingen te nemen, er vanuit gaande dat de economie weer gaat groeien in de jaren tussen 2011 en 2015, voegt De Geus er aan toe, eerder pragmaticus dan idealist. Als minister verdedigde hij standpunten waar hij als vakbondsman „zweet van op zijn voorhoofd” zou hebben gekregen, merkte een werkgeversonderhandelaar eens op.

Was het voor u destijds lastiger te hervormen?

„Wij kampten ook met een crisis. Maar achteraf gezien was de toenmalige conjuncturele dip een picknick vergeleken met de dramatische omvang van de huidige economische en financiële problemen.

„De bezuinigingen die momenteel nodig zijn om de sterk verslechterde overheidsfinanciën weer op orde te krijgen, zijn van een heel andere orde. Ons bezuinigingsprogramma was nog geen derde van de 35 miljard euro die nu nodig zijn.”

Toen u hervormde was de werkloosheid met ruim 9 procent veel hoger. Was dat een risico?

„We vroegen ons in die moeilijke jaren 2004, 2005 wel degelijk af: wat zal er gebeuren met alle mensen die bij de herkeuringen op arbeidsongeschiktheid misschien niet meer in aanmerking komen voor een WAO-uitkering? Is er wel werk voor ze? Die garantie konden we niet geven. Moesten we deze hervormingen dan wel doorvoeren?

„Ja, we vonden dat we onze plannen toch moesten doorzetten. Ons kabinet wilde de structuur van de economie verbeteren. Niet de ongeschiktheid van mensen moest voorop staan, maar wat iemand nog wèl kan. Op het moment dat de economie aantrok, pakten de hervormingen beter uit. Dat geldt ook voor de bijstand. Er zijn veel meer mensen aan de slag gekomen die voorheen een uitkering hadden.”

Vormde het toenmalig verzet van de vakbeweging een belemmering?

„Wij wilden de economische hervormingen zoveel mogelijk met de sociale partners zien te verwezenlijken, vooral de WAO. Dat was een duidelijke parallel met de huidige situatie waarin het kabinet de sociale partners, via de Sociaal-Economische Raad, ook om advies heeft gevraagd.

„Het CDA had dit in 2002 bij de coalitiebesprekingen met de VVD en D66 bedongen. Dat was nieuw omdat tijdens de paarse kabinetten van PvdA, VVD, D66 veel veranderingen zonder de sociale partners waren doorgevoerd. De betrokkenheid van de sociale partners gold niet tot elke prijs, maar wel zoveel mogelijk.

„Bij de WAO is het gelukt om er samen met de vakbeweging en werkgevers uit te komen. Bij het afschaffen van het vervroegd pensioen en het prepensioen lukte het in eerste instantie niet. Aan versoepeling van de contractbescherming (versoepeling van het ontslagrecht, red.), die ook op onze hervormingsagenda stond, zijn we niet meer toegekomen. De afschaffing van het vroege pensioen hebben we zelf ter hand genomen. Daarop is de de vakbeweging gaan mobiliseren. Dat was toen makkelijker.”

Waarom?

„Onze hervormingsagenda was veel breder. De kritiek van de vakbeweging was: het kabinet haalt alles overhoop. Maar door die brede agenda was het ook makkelijker om met de sociale partners op andere gebieden overeenstemming te bereiken. Naarmate je agenda breder is zijn er meer ruilmomenten. Dat is met een agenda waarop alleen de AOW staat of alleen de ontslagbescherming moeilijker.

„Daar komt bij dat een grote coalitie geen ideale combinatie is om controversiële hervormingen door te voeren. Dat zie je ook in Duitsland. Zodra het om de inhoud gaat van de sociale zekerheid is er in Nederland nog steeds een traditionele links-rechts tegenstelling. Daarom is het al een duidelijk lichtpunt dat er in de regering overeenstemming heerst over waar het heen moet: dat er een beweging moet komen naar langer doorwerken, naar investeren in pensioenen, en naar investeren in ouderen. Dat betekent een extra agenda met maatregelen, want de arbeidsmarkt voor ouderen zit muurvast.”

Kabinet en werkgevers liggen volgens de vakbeweging anders wel op ramkoers met het AOW-plan.

„Het is voor een kabinet een hels karwei om de agenda voor de lange termijn te verbinden met de dagelijkse realiteit op de werkvloer. De vakcentrales hebben een belangrijke rol om mee te denken over de inrichting van het grotere geheel. De Nederlandse vakorganisaties horen nog steeds tot de meest constructieve in de wereld. Alleen de Scandinavische landen kennen ook een vakbeweging die zich verantwoordelijk voelt voor het algemeen belang. Verder zie je dat nauwelijks, niet in Frankrijk, Italië of de VS.

„Maar het consensusmodel op nationaal niveau is iets anders dan het niveau van de bonden op decentraal gebied, in de bedrijven. Zij sluiten met werkgevers contracten. Als er op dat niveau iets verandert, moet er iets voor terugkomen. Zodra kabinet en werkgevers zeggen dat in het kielzog van de AOW ook de leeftijd voor aanvullende bedrijfspensioenen omhoog moet, zien bonden dat niet zitten. Dat zoeken ze het liefst uit aan de onderhandelingstafel met de werkgevers. Dat mag Agnes (FNV-voorzitter Jongerius, red.) niet weggeven.”

De praktische uitvoering van langer doorwerken kan vastlopen in bedrijven?

„We zitten even op een dood punt waarop de regering aan zet is. Het is de kunst voor een kabinet en voor de vakbeweging, om een consensus over het langetermijnbeleid te verbinden met transacties op de werkvloer. Dat is nog niet gelukt. Soms slagen partijen er in een latere fase dan toch in.

„Hervormingen verlopen in fases. Dat blijkt ook uit ons OESO-onderzoek. Maar een mislukking betekent niet dat het nooit lukt. Ik heb als minister vele momenten gehad waarop ik dacht: ‘Dit wordt helemaal niets’.”

U meent dat meer hervormingen nodig zijn, terwijl déze maatschappelijk al moeilijk ligt?

„Een belangrijk verschil met mijn ministerschap is dat een brede meerderheid van de Tweede Kamer zich niet tegen de hervormingen keert, ook al ligt de AOW-maatregel bij twee van de drie coalitiepartners, PvdA en ChristenUnie, sociaal heel gevoelig. De situatie is echter veel ernstiger. De ontwrichting van de financiële markten en van de reële economie hebben overheden wereldwijd dermate in financiële problemen gebracht, dat velen beseffen dat langetermijnmaatregelen hard nodig zijn.

„De structuur van de economie moet sowieso worden versterkt als gevolg van een aantal internationale trends zoals de demografische veranderingen. Door de vergrijzing komen gigantische zorgkosten op ons af. Technologische vernieuwingen dwingen tot nog meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt. Vroeger ging een beroep langer mee dan een mensenleven. Nu hebben mensen in hun leven meer beroepen. De tijd van een collectieve aanpak van de arbeidsmarkt is voorbij. Ook de globalisering gaat onvermijdelijk door. Deze trends zetten de sociale stelsels van de geïndustrialiseerde landen onder druk.

„We willen de verdiensten van de verzorgingsstaat die na de oorlog is opgebouwd niet kwijt. Maar bij een zorgvuldige renovatie kun je ontdekken dat sommige muren zo zwak zijn, dat ze beter gesloopt kunnen worden.”