1977

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

‘Macaroni is niet echt Marokkaans, maar samen eten, komt in de buurt’ Foto AP Macaroni and Cheese Close-up Jupiterimages

Met mijn medepassagiers liep ik door de vliegtuigslurf. We waren net geland op Schiphol. Een dag geleden at ik nog een ontbijt klaargemaakt door mijn moeder: twee gebakken eieren drijvend in olijfolie. Terwijl mijn vader de muilezel zadelde, één van mijn tientallen neefjes achter een kip aanzat op de binnenplaats en mijn tante gepekeld vlees aan de lijn hing om op te drogen, schepte ik met opgebakken brood een stuk ei uit een emaillen bord.

Vierentwintig uur na dit afscheidsontbijt bevond ik mij in een compleet andere wereld. Het enige wat nog Marokkaans was, waren de mensen met wie ik door de slurf liep. We waren allemaal bruin van zes weken in de Marokkaanse zon. We vulden de steriele geurloze vliegtuigslurf met de aroma’s van ons vaderland. Iedereen had minimaal tien kilo handbagage bij zich: kistjes dadels, vijgen in gevlochten manden, tasjes vol met kruiden, schapenhuiden en flessen versgeperste olijfolie.

In de ontvangsthal werden we opgewacht door vrienden en familieleden. Ik was de enige die werd opgehaald door blonde blauwogigen. Toen Jolanda mij zag, sprong ze mij om de hals. Haar ouders omhelsden mij en heetten mij welkom terug. Jolanda vroeg direct hoe mijn vakantie was geweest. Ik vertelde over het prachtige weer in mijn geboortedorp. Ik wilde nog vertellen over de gezondheid van mijn familie, toen ik zag hoe Jolanda en haar ouders de wenkbrauwen fronsten. „Je bent weer in Nederland, Dries”, zei meneer Tielemans. „Spreek Nederlands. Je weet toch dat we geen Turks verstaan.” Ik had Berbers tegen ze gesproken, realiseerde ik me op dat moment. Naast mij werd nog volop in het Berbers en Arabisch gesproken, maar ik moest overschakelen op het Nederlands. De overgang verliep stroef en ging met pijn in het hart; Marokko was weer ver weg.

In de huiskamer van de familie Tielemans pakte ik de souvenirs uit die ik voor ze had meegenomen. Voor mevrouw Tielemans had ik een fles olijfolie van onze olijfgaard. Voor meneer Tielemans had ik twee flesjes vijgenlikeur. En voor Jolanda had ik een brede gouden armband.

„Ben je blij om weer terug te zijn, Driss?” vroeg mevrouw Tielemans.

„Ja, blij”, antwoordde ik mat.

„We hebben je gemist”, zei ze. „En Jolanda helemaal. Vannacht heeft ze van alle opwinding geen oog dicht gedaan.” Jolanda pakte mijn hand vast en kneep er in.

Ik was dankbaar om terug te zijn bij deze dierbare mensen, maar ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik niet ook verdrietig was. Hoe later het werd, hoe minder ik zei. Om zes uur gingen we eten. Aan tafel zei ik helemaal niets meer.

„Wat is er, Driss?” vroeg Jolanda. „Je bent zo stil.” „Ik mis Marokko”, zei ik. „Wat bedoel je daarmee?” vroeg ze ongemakkelijk. „Wil je terug naar Marokko?”

„Nee, nee”, zei ik. „Maar… Het eten bijvoorbeeld. In Marokko zouden we nu samen uit één groot bord eten. Hier heeft iedereen zijn eigen bord, dat is voor mij weer even wennen.”

„O, is dat waarom je zo stil bent”, zei meneer Tielemans. Hij stond op en liep naar de keuken, waar hij de keukenkastjes begon te doorzoeken. Hij kwam terug met een grote schaal die hij midden op de tafel legde. Daarna pakte hij onze borden macaroni en leegde ze één voor één in de schaal.

„Het is misschien niet helemaal wat je gewend bent, maar Marokkaanser dan dit kan ik het niet voor je maken”, zei hij en grijnsde. Ik moest ook grijnzen. „Macaroni is inderdaad niet echt Marokkaans”, zei ik. „Maar samen met jullie eten, komt heel erg in de buurt.” We tastten toe en lepelden de macaroni uit de schaal. „Trouwens”, zei ik tegen Jolanda. „Ik kan helemaal niet naar Marokko. Morgen moet ik weer aan de slag in de haven.”