Wat is vrijheid?

Zo’n geschiedenisles had ik vroeger ook wel willen hebben.

We zaten in het auditorium van het Allard Pierson Museum in Amsterdam. Vijftig studenten in de zaal, drie bevlogen sprekers ervoor: Frans Timmermans, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Angelika Wendland, documentalist van het Duitsland Instituut Amsterdam, en Martin Simek, mediapresentator. Het thema: de val van de Muur, twintig jaar geleden.

Timmermans wilde als moderator zijn jonge gehoor bereiken met de persoonlijke ervaringen van Wendland en Simek. Per slot van rekening was de val voor de meeste studenten een abstractie, zij waren nog kinderen toen het gebeurde.

Wendland en Simek vertelden boeiend over hun jeugd onder een dictatoriaal regiem. Wendland, in 1950 geboren in de DDR, had een jongen in de klas gehad die kort voor de verkiezingen vroeg: „Stel dat ik niet zou stemmen, dan is dat toch nog geen stem tegen het socialisme?” Alleen al door die vraag kon hij zijn studiekansen vergeten. Zelf mocht ze ook niet studeren, omdat ze niet „het goede socialistische bewustzijn” had.

Wendland had lang in het socialisme geloofd, totdat de Russische tanks in 1968 voorbij haar huis aan de grens trokken, op weg naar Tsjechoslowakije. „Ik heb mijn vader toen zien huilen.” Ze werd vier jaar later door de Bondsrepubliek met anderen via een geheime deal vrijgekocht en belandde in Nederland. Twee soorten reacties kreeg ze daar: 1. Geweldig dat je uit dat concentratiekamp weg bent, „alsof ik daar geen persoonlijk leven had geleid”. 2. De DDR was toch eigenlijk beter dan de Bondsrepubliek? Het verwarde haar, en ze zweeg lang over haar verleden. Woedend was ze toen Ien van den Heuvel, voorzitter van de PvdA, een wit voetje ging halen in de DDR. „Maar ik stem nog steeds PvdA.”

Simek kwam goed los nadat hij zich had geërgerd aan een vraag uit het publiek over verzet tegen het regiem. „Zo’n dictatuur is onverslaanbaar, tenzij ze economisch instort. Wij konden er niets aan veranderen. Als individu heb je geen enkele kans, je bent alleen maar bang.” Hij was in 1968 gevlucht, omdat hij de Praagse Lente naïef vond: „Dubcek was een ongelofelijke naïeveling.”

In het Westen zag hij tot zijn verbazing overal sombere gezichten om zich heen, alsof niemand van zijn vrijheid kon genieten. Het is de vraag die sindsdien zijn leven bepaalt: wat is vrijheid precies? Hij vroeg het ook aan zijn publiek. Daar kwam weinig respons op, wat ik wel kon begrijpen, want zo gemakkelijk is die vraag niet.

„Niet steeds hoeven denken aan de consequenties van je daden”, zei een vrouw. „Ik weet het niet”, zei een man.

„Prachtig”, vond Simek, „dát is misschien wel de definitie van vrijheid, het niet weten, en het niet weten mág.” Zonder twijfel geen vrijheid, daar kon iedereen zich wel in vinden – het leek dé les van deze geschiedenisles.

Op de terugweg kocht ik in de ramsj een boek van I.F. Stone, de legendarische Amerikaanse journalist. Hij zegt het al in 1954 zó: „Er moet hernieuwde erkenning komen dat samenlevingen stabiel blijven door hervorming, niet door gedachtenpolitie.”

Het was voor hem de enige manier om revolutie en oorlog te voorkomen.