Tony Blair president van Europa?

Het is nog te vroeg om een prominente ‘president van Europa’ te benoemen.

Europeanen zullen zich terecht afvragen met welk recht hij namens hen spreekt.

Arme Tony Blair – gesaboteerd door een landgenoot. Nog maar een paar weken geleden leek Blair dé man om voorzitter van de Europese Unie te worden. Maar inmiddels heeft William Hague, de Britse schaduwminister van Buitenlandse Zaken, de rest van Europa laten weten dat de conservatieve oppositiepartij zijn benoeming als een ‘vijandig gebaar’ zou opvatten. Omdat de Tories van Hague vermoedelijk halverwege volgend jaar aan de macht zullen komen, na de aanstaande verkiezingen in Groot-Brittannië, legt hun mening zeker gewicht in de schaal. Charles Grant, directeur van de denktank Centre for European Reform, zei: „Op mijn reizen door Europa heb ik gemerkt dat Hagues uitlatingen enorme invloed hebben gehad.” De kandidatuur van Blair is zwaar beschadigd.

Sommigen in Groot-Brittannië beschouwen de anti-Blairuitspraken van Hague als een daad van benepen rancune. Volgens anderen is het nog erger: Hague zou zo verblind zijn door zijn eurosceptische ideologie dat hij bereid is door een blokkade van Blair zowel Groot-Brittannië als de EU te schaden.

Maar Hague heeft wel gelijk. Het zou verkeerd zijn om Tony Blair tot president van de EU te benoemen. En niet omdat hij een slecht mens of een slecht politicus is. Dat is hij geen van beide. Het probleem is de functie – het betreft een benoeming zonder democratisch mandaat.

De benoeming van een EU-president heeft eigenlijk twee nauw verwante lastige kanten. De eerste houdt verband met de wankele legitimiteit van de positie. De tweede heeft te maken met een gebrek aan achterliggende eenheid, wat nog altijd het streven naar een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid bemoeilijkt. Beide problemen zouden verergeren door Blair te benoemen.

De EU weet dat het nog veel te vroeg is om naar rechtstreekse verkiezingen voor een president van de Unie te streven. De 27 leden missen de gezamenlijke taal en politieke identiteit waardoor zo’n verkiezing zou werken. Toen ik het idee van een rechtstreeks gekozen Europese president eens besprak met een hoge ambtenaar in Brussel, afkomstig uit Finland, schudde hij zijn hoofd en zei: „Ik kan mij gewoon geen Sarkozy op campagne in Lapland voorstellen.” En dat is nog maar een van de vele vermakelijke mogelijkheden: wat te denken van Berlusconi in Berkshire, of Merkel in Warschau?

Omdat een rechtstreeks gekozen Europese president ondenkbaar is, laat het Verdrag van Lissabon – dat nu eindelijk naar zijn ratificatie hinkt – het aan de leiders van de 27 EU-landen over om een president te benoemen. Maar de precieze aard van de functie is altijd wat vaag geweest. Er is een minimalistische uitleg, waarin de voorzitter van de Europese Raad een vrij bescheiden rol krijgt toebedeeld: de coördinatie tussen de nationale regeringen, het voorzitterschap van de Europese topconferenties en over de hele linie meer continuïteit van het beleid dan onder het huidige voorzitterschap, dat om de zes maanden wisselt. En daarnaast een maximalistische uitleg, waarbij de nieuwe EU-president een prominente figuur moet zijn die als een pauw over het wereldtoneel stapt.

Blairs vurigste aanhangers zijn maximalisten. David Miliband, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, vindt dat de EU de derde partner zou moeten zijn in een mondiaal driemanschap dat samen met de VS en China de wereldzaken beheert. Volgens hem zou Blair de perfecte man zijn om namens Europa bij de wereldtop aan te schuiven, omdat hij een internationale figuur is wiens aanwezigheid ‘het verkeer in Beijing stil zou leggen’. Blair zou als een ‘president van Europa’ naar voren worden geschoven – in staat om op gelijk niveau te spreken met Barack Obama van de VS of Hu Jintao van China.

Maar als Blair in Peking de president van Europa zou komen spelen, zou zijn enige overeenkomst met Hu Jintao zijn dat ze beiden een democratisch mandaat ontbeerden. De gewone Europeanen zouden zich terecht afvragen met welk recht de niet-gekozen Blair namens hen sprak. De oud-premier is in grote delen van Europa nog altijd een zeer omstreden figuur vanwege zijn steun aan de oorlog met Irak.

Blair is bij uitstek omstreden, maar elke prominente Europese president zou verdeeldheid brengen. Want anders dan de Chinese president zou de president van de EU niet spreken namens een verenigd staatsbestel. De Europese eenheid heeft veeleer juist de neiging in tijden van internationale crisis te verbrokkelen. De EU raakte ernstig verdeeld toen in de jaren 90 Joegoslavië uiteenviel en in 2003 vlogen de EU-grootmachten elkaar naar de keel om Irak.

Dit wil niet zeggen dat het streven naar de vorming van een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid altijd een farce is – of dat er de afgelopen tien jaar geen aanzienlijke vooruitgang is geboekt. De EU heeft een min of meer eensgezind front gevormd inzake Iran en de klimaatverandering, en heeft bij meer dan twintig conflicten in de wereld vredesmachten ingezet. Het Verdrag van Lissabon zal leiden tot een opgetuigde minister van Buitenlandse Zaken, die meer middelen zal hebben om op de lange termijn gezamenlijke Europese standpunten over de grote wereldproblemen te helpen bevorderen.

Maar het is nog te vroeg om een prominente ‘president van Europa’ te benoemen. Als die nieuwe president zou beweren – zonder rechtstreeks mandaat – namens de bijna 500 miljoen burgers van de Unie te spreken, dan zou hij om een terugslag in Europa en vernedering in de rest van de wereld vragen. De EU verdient beter. En eerlijk gezegd Tony Blair ook.

Gideon Rachman is commentator bij de Britse zakenkrant Financial Times. © The Financial Times Limited 2009