Onder water oogsten

In het Brokopondomeer in Suriname ligt een afgestorven woud dat een kapitaal waard is, hardhout van hoge kwaliteit. De productie is begonnen. Als altijd is er ook kritiek.

De duiker slaat een kruis en glijdt vervolgens van de ijzeren sloep in het Brokopondomeer. In zijn mond stopt hij een zuurstofslang, collega’s reiken hem vanaf de boot een hydraulische kettingzaag aan, en dan verdwijnt de man in de diepte. Drie minuten duurt het voordat hij weer aan de oppervlakte verschijnt, tegelijk met een acht meter lange stam van rood tropisch hardhout, die aan een kabel naar boven wordt gehesen. De duiker gaat een tweede keer naar beneden, om de onderste helft van de boom te vellen. Dit kost hem aanzienlijk meer tijd, wel tien minuten. Maar de stronk die hij bevrijdt van de waterbodem mag er, met een doorsnee van anderhalve meter, dan ook zijn.

Het Brokopondogebied werd in 1964 onder water gezet, ten behoeve van het bedrijf Suralco, een dochteronderneming van de Amerikaanse aluminiumonderneming Alcoa. Suralco zat verlegen om goedkope energie voor de verwerking van bauxiet. Een waterkrachtcentrale in het binnenland met een stuwmeer ter grootte van de provincie Utrecht moest daarvoor zorgen.

De boot met de duikers laveert voorzichtig tussen de boomtoppen die uit het stuwmeer omhoog steken. Decennialang vormden de bomen, die om geld uit te sparen niet van tevoren waren gekapt, een obstakel voor de scheepvaart op het meer. Totdat de Surinaamse broers Roy en Orlando Lee-On op het idee kwamen ze alsnog te vellen. Ze wisten bij de Surinaamse instanties de benodigde vergunningen los te weken en trokken Braziliaanse duikers aan met ervaring in een soortgelijk project. Omdat ze de houtbranche niet goed kenden – de familie Lee-On komt uit het fotovak – zochten ze een partner. Dat werd Jos Dennebos uit Raalte, fabrikant van parketvloeren en al geruime tijd actief in Suriname.

Dennenbos toont deze dag twee bevriende zakenlieden uit Nederland vanaf een tweede boot hoe de duikers te werk gaan. Dennebos (43), het type van een rouwdouwer, heeft van de broers Lee-On de operationele leiding in hun gezamenlijke houtonderneming gekregen. Daarnaast is hij medeaandeelhouder van de joint venture. „Mijn opa gooide sparbomen al in een sloot om ze daarin laten verduurzamen”, vertelt hij. Toen hij het hout uit het Brokopondomeer voor het eerst zag, besefte hij meteen dat het van bijzondere kwaliteit was. „Doordat de stammen langer dan veertig jaar in het meer stonden, verdwenen alle sappen eruit en is het hout knoerthard geworden. Het water voorkwam dat de stammen in contact kwamen met zuurstof, waardoor rottingsprocessen geen kans kregen.”

In een grote bedrijfshal aan de rand van het Brokopondomeer zet een zaaglint met veel lawaai zijn tanden in een groen uitgeslagen stronk. Per kubieke meter weegt dit stuwmeerhout wel 1.200 kilo. Doordat het zo goed geconserveerd is in het water, kent het een hogere kwaliteitsklasse dan dezelfde soort uit bos op het droge.

Dennebos verwacht in het Brokopondomeer grote hoeveelheden hout te kunnen oogsten. „In de bossen was nog niet gekapt toen ze onder water kwamen. Er staan nog miljoenen stammen in het meer. We kunnen zeker tien miljoen kubieke meter hout uit het meer trekken, maar misschien ook wel veertig miljoen.” Van de harde houtsoorten staat vast dat ze waardevol zijn, maar de andere soorten zijn wellicht ook bruikbaar.

Dennebos laat een speciale oogstboot ontwerpen voor zijn Surinaamse onderneming. Verder bouwt hij aan het Brokopondomeer een nieuwe zagerij. Met deze investeringen wil hij op korte termijn de productie van stuwmeerhout verviervoudigen. De kosten die hiermee zijn gemoeid vallen volgens Dennebos in het niet bij de kosten van houtwinning in conventionele bossen. Dennebos bezit in Suriname nog twee houtconcessies op land. Om daar bomen te rooien, moet hij eerst een uitgebreid stelsel van wegen aanleggen, wat al kapitale investeringen vergt. In zijn concessies houdt hij zich aan de voorschriften van Forest Stewardship Council (FSC), de internationale organisatie voor duurzaam bosbeheer. Dat betekent wel dat hij er maar een beperkt aantal bomen mag vellen. In het Brokopondomeer heeft Dennebos geen last van FSC-criteria. De duikers kunnen er alles omzagen wat ze tegenkomen.

Vorig jaar werden Dennebos en zijn partners geconfronteerd met kapers op de kust. Een Chinees en een Canadees houtbedrijf vroegen de Surinaamse overheid of ze ook in het stuwmeer mochten oogsten. Maar president Venetiaan besloot uiteindelijk toch dat de Surinaams-Nederlandse onderneming het exclusieve recht op het stuwmeerhout moest behouden.

Sommige omwonenden van het meer betwisten het alleenrecht van Dennebos en zijn partners op de opbrengsten van het stuwmeerhout. Een voorman in de zagerij aan het Brokopondomeer meldt Jos Dennebos dat de Braziliaanse duikers zich niet meer vertonen in het zuidelijke deel van het meer, omdat de lokale bevolking hen er dwarszit. Het gaat om bewoners van een nederzetting die vroeger in het meer lag. Door de komst van het water moesten ze verhuizen. De dorpsbewoners eisen geld en eten van de duikers als die hout komen oogsten. „Er zijn altijd mensen die afgunstig zijn als je succes hebt”, reageert Dennebos. Hij meent dat zijn bedrijf de bewoners van het district Brokopondo voldoende helpt door te zorgen voor werkgelegenheid .

Brokopondo herdenkt dit jaar met lezingen en bijeenkomsten dat 45 jaar geleden vijfduizend mensen wegens de komst van de stuwdam moesten verhuizen naar een nieuwe locatie. De gebeurtenis staat in Suriname officieel bekend als de ‘transmigratie’. Egbert Eersteling, een hoge ambtenaar in Paramaribo, begrijpt wel dat bij binnenlandbewoners „emoties de overhand krijgen” als ze horen dat op hun geboortegrond, of dat van hun ouders, nu een bedrijf hout mag winnen. Eersteling is zelf opgegroeid in het dorp Koffiekamp, dat in 1964 in het stuwmeer verdween. Hij heeft de geschiedenis van Brokopondo op schrift gesteld, en hij treedt op als vertegenwoordiger van de dorpelingen die moesten verhuizen.

Hij keurt de activiteiten van Dennenbos en zijn partners in het stuwmeer niet af. De komst van het water en de transmigratie hebben het binnenland ook opengelegd. Jongeren uit Brokopondo gingen onderwijs volgen in Paramaribo en konden zich emanciperen. Bovendien zijn de transmigranten op hun nieuwe locaties gecompenseerd met concessies voor houtwinning dáár. „Ik ben daar zelf rationeel over. ”