Niet meteen de bieb induiken

Plasterk geeft extra geld aan de negen ‘graduate schools’.

Dat zorgt voor verdere professionalisering. Maar de landelijke onderzoeksscholen voelen zich vooral bedreigd.

Minister Plasterk benadrukt het belang van onderwijs binnen het promotietraject. "Dat is nu soms nog een ondergeschoven kindje. Begeleiders zijn toch vooral geïnteresseerd in onderzoek." (Foto Hollandse Hoogte) Minister Plasterk benadrukt het belang van onderwijs binnen het promotietraject. "Dat is nu soms nog een ondergeschoven kindje. Begeleiders zijn toch vooral geïnteresseerd in onderzoek." (Foto Hollandse Hoogte) Theologie bibliotheek op June 21, 2007 in Groningen, The Netherlands. (Photo by Michel de Groot) Michel De Groot/Hollandse Hoogte

Alle macht aan de promovendus. Op de negen ‘graduate schools’ die deze zomer geld hebben gekregen van minister Plasterk (Onderwijs, PvdA), zijn het niet de professoren die jonge onderzoekers uitkiezen om gedurende vier jaar onder hun begeleiding een proefschrift te schrijven, maar selecteren getalenteerde studenten die verder willen in de wetenschap de promotor die hén het meeste aanspreekt.

Plasterk en onderzoeksfinancier NWO keerden in augustus in totaal 7,2 miljoen euro uit aan universiteiten die deze onderzoeksinstellingen naar Amerikaans model hebben opgezet. De minister is erg gecharmeerd van de graduate school, die hij tijdens zijn eigen onderzoeksverblijven in de VS leerde kennen. Vorig jaar gaf hij te kennen tot 15 miljoen euro beschikbaar te stellen voor experimenten met graduate schools.

De graduate school kent een jaarlijks instroommoment, waarop een groep nieuwe promovendi aan een onderzoek begint. Ze duiken niet meteen de bibliotheek of het laboratorium in, maar volgen eerst gedurende enkele maanden onderwijs. Ondertussen maken ze kennis met de diverse hoogleraren. Aan het eind van deze periode kiezen ze de professor en het onderzoeksonderwerp waarmee ze zich gaan bezighouden.

Het resultaat van deze procedure kan zijn dat de ene hoogleraar drie nieuwe promovendi onder zijn vleugels mag nemen, terwijl een ander niemand heeft kunnen overtuigen van zijn kwaliteiten als promotor. „Ik kan me voorstellen dat dit vooruitzicht voor onrust zorgt bij hoogleraren”, zegt Plasterk. „Maar ik denk dat deze organisatie van onderaf de kwaliteit van de promoties ten goede zal komen.”

Plasterk benadrukt vooral het belang van onderwijs binnen het promotietraject. „Dat is nu soms nog een ondergeschoven kindje. Begeleiders zijn toch vooral geïnteresseerd in onderzoek. Maar ik denk dat promovendi aan het begin van hun onderzoekscarrière zeer gebaat zijn bij een paar maanden onderwijs.”

Een van de instellingen die deze zomer geld kregen van de minister is CentER van de Universiteit van Tilburg, een graduate school die onderzoek doet op het gebied van bedrijfskunde en economie. CentER bestaat al sinds 1991 en hanteert sinds 2004 het ‘twee plus drie model’: studenten die een onderzoeksmaster doen, lopen twee jaar op het instituut rond, waarna de besten aan een driejarig promotietraject beginnen.

CentER is dus geen nieuwe graduate school, maar kreeg toch geld van de minister. Dick den Hertog, vicedecaan onderzoek, denkt dat Plasterk het pionierswerk van zijn instituut heeft willen belonen. „Wij leveren promovendi af aan belangrijke Amerikaanse en Britse topuniversiteiten.”

De oprichting van Angelsaksische graduate schools is een volgende stap in de professionalisering van het promotietraject in Nederland. De tijd is voorbij dat een promovendus vier jaar moederziel alleen in de bibliotheek zit, of in het laboratorium experimenten doet voor een voetnoot in een artikel van zijn hoogleraar.

Het proces van professionalisering werd begin jaren negentig in gang gezet met de oprichting van landelijke onderzoeksscholen. Binnen deze onderzoeksscholen werken universiteiten op opleidingsniveau met elkaar samen. Door de opkomst van de graduate schools, die meestal verbonden zijn aan slechts één universiteit, wordt het voortbestaan van de landelijke onderzoeksscholen bedreigd.

Plasterk zegt dat hij met ‘zijn’ graduate schools niet het oogmerk heeft de landelijke onderzoekscholen te doen verdwijnen, maar dat hij hun bestaan ook niet wil afdwingen. „Universiteiten trekken zich al een paar jaar terug uit landelijke onderzoeksscholen. Ik kan me goed voorstellen dat er een hergroepering gaat plaatsvinden. Dat hoeft helemaal geen slechte zaak te zijn.”

Daar denken de onderzoekers en promovendi die verbonden zijn aan zo’n landelijke onderzoeksschool anders over. Hun woordvoerder is Tom Zwart, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht (UU) en voorzitter van het samenwerkingsverband van landelijke onderzoeksscholen. „Alle huidige landelijke onderzoekscholen zijn geaccrediteerd door de KNAW, die een kwaliteitskeurmerk afgeeft. Een dergelijk onafhankelijk keurmerk bestaat nog niet voor lokale graduate schools. Nederlandse universiteiten moeten juist samenwerken, om zo voldoende kritische massa te hebben om bijvoorbeeld internationale toponderzoekers aan te kunnen trekken voor gastcolleges.”

Plasterks negatieve houding ten opzichte van de landelijke onderzoeksscholen wordt waarschijnlijk vooral gevormd door zijn eigen ervaringen als wetenschapper, maar zijn op dit moment niet in overeenstemming met de werkelijkheid, vindt Zwart. „Er is sinds hij actief was veel veranderd. Landelijke onderzoekscholen doen al veel van wat hij beoogt met de invoering van de graduate schools. Nu verdwijnen door de nieuwe graduate schools van de minister landelijke onderzoeksscholen, terwijl die al veel van de begeleiding en het onderwijs verzorgen waar het volgens hem op veel universiteiten aan schort.”