De stroomversnelling van China

Het is ver van ons bed – Cha-am. In het zuiden van Thailand. Hooguit een beetje vertrouwd bij badgasten. In Cha-am vergaderden het afgelopen weekeinde heren van zestien Aziatische landen. Statistisch gezien nog goeddeels in een ontwikkelingsfase – maar zo zien zij dit zelf niet meer. Allemaal zijn ze aangeraakt door de dynamiek van de vooruitgang en het gaat ineens hard, erg hard. De Chinese premier kwam vertellen dat zijn land 10 miljard dollar uittrekt voor verdere ontwikkeling van de infrastructuur in Zuid-Oost-Azië. Dat is een bedrag dat van de oude instelling Wereldbank in één klap een klein jongetje maakt in de regio.

Met zijn soft power benadering van de laatste tien jaar begint China zijns ondanks op allerlei plekken in de wereld steeds zwaarder te wegen. Eerst bleef het charmeoffensief nog beperkt tot symbolische dingen zoals een mooi nieuw ziekenhuis of – vaste prik – een mooi nieuw ministerie van Buitenlandse Zaken. In Thailand zelf, waar ze jarenlang weinig van China wilden weten, worden nu op elke straathoek inmiddels cursussen Mandarijn aangeboden. De Chinese ambassadeur in Bangkok is een gezaghebbend Thai-expert en graag geziene gast op televisie. Het idee dat China bij wijze van beloning nog eens een geslaagde zakenman tot ambassadeur zou promoveren – een Amerikaans gebruik – is ondenkbaar. De zorgvuldigheid van buitenlands beleid verbiedt het. Zelfs in Indonesië, met zijn notoire Chinezenvrees, gaan de deuren open. Autoriteiten, studenten, professoren kunnen voor training en scholing naar China. En de Amerikaanse bondgenoot Filippijnen stuurt zelfs militaire officieren op cursus naar Peking.

In het noorden een vergelijkbaar beeld: een paar maanden geleden beloofde de Chinese premier aan Tadzjikistan een injectie van een miljard dollar voor infrastructuur. Een miljard zegt misschien niet zoveel, maar voor een klein, arm land als Tadzjikistan betekent het simpelweg dat het aanzien van het land hiermee ingrijpend zal veranderen. In Oezbekistan en Kirgizië liggen al de nodige Chinese wegen. Het idee is steeds hetzelfde: China heeft markten nodig, koopt naar vermogen energie- en grondstoffenzekerheid voor de toekomst en bindt landen en regeringen aan zich. Alleen al dit jaar waren er nieuwe afspraken met Iran, met Rusland, met Brazilië en Venezuela.

Het patroon hierachter is niet nieuw, maar om allerlei redenen is er sprake van een enorme stroomversnelling. Amerika en Europa zitten in een economische malaise, Amerika zal nog jaren gebukt gaan onder een torenhoge staatsschuld die het op zich heeft genomen om banken te redden en een vrije val van de economie te voorkomen. En er is geen begin van een herstel van openbare financiën in zicht. In Europa zijn de verschijnselen anders, maar het beeld is evenmin erg vrolijk. En ondertussen zit China almaar op een groei van acht procent. Volgens cijfers van het Internationaal Monetair Fonds is China in zijn eentje goed voor driekwart van de groei in de wereld in de jaren 2008, 2009, 2010. Wie General Motors zegt, denkt aan Amerika en aan teloorgang, maar in China kan GM de vraag amper bijbenen met een stijging van de verkoop van nieuwe auto’s – alleen al dit jaar met 15 procent.

En verder is het Westen ook niet zo kieskeurig meer. Chinees kapitaal is meer dan welkom om armlastige bedrijven te redden. Australië is dankzij China als eerste westers land weer aan een opleving begonnen.

Het lijkt allemaal ver weg, maar het is dichtbij. Zo weigert China alweer meer dan een jaar om zijn munt duurder te maken en iets te doen aan de grote exportoverschotten. China heeft daar geen zin meer in en niet alleen omdat het de eigen export schaadt. China is de grootste schuldeiser van Amerika en een stijging van de Chinese munt betekent dat Amerikaanse staatsobligaties minder waard zijn en China dus meebetaalt aan de aflossing van die schulden. Terwijl de dollar naar beneden glijdt, glijdt dus de Chinese munt ook weer naar beneden mee. De oude truc van de supermacht om met dollardevaluaties de buitenwereld de rekening te laten betalen, werkt niet meer. Bij gebrek aan macht. In vriendelijke bewoordingen leest de Chinese nationale bank inmiddels de Amerikanen ook publiekelijk de les.

De Europese eurolanden, inclusief Nederland, staan betrekkelijk machteloos aan de zijlijn. Als politieke eenheid wensen zij niet echt te bestaan, ze kunnen Amerika noch China tot de orde roepen en inmiddels wordt de euro almaar duurder en worden dollar en renminbi almaar goedkoper. Voor het herstel van euroland is het een dramatische tendens en niemand moet vreemd opkijken wanneer Europa zijn toevlucht tot heus protectionisme zal willen nemen.

Veel economen wisten een jaar geleden vrij stellig dat uitgerekend China het zwaar zou krijgen door de financiële crisis. Miljoenen werkloze fabrieksarbeiders zouden terugkeren naar het platteland, onrust lag in het verschiet. Het gebeurde niet. Nu heet China weer het land dat het meest slagvaardig en doeltreffend diezelfde crisis te lijf is gegaan.

Binnen twee decennia is China de grootste economie van de wereld. Er zijn weliswaar economen die tegenwerpen dat China nog gaat struikelen over de sociale tweedeling van het land, over het tekort aan sociale infrastructuur, over het tekort aan liberalisering. En misschien is dat ook wel zo. Alleen wordt dit al jaren voorspeld en gebeurt het almaar niet. Het hele idee van de Chinese rit-op-de-tijger kan weleens veel meer een westerse projectie zijn dan een Chinese toekomst: meer een soort beredeneerde verdringing. Want kan het Westen zich werkelijk voorstellen dat het niet meer blijft wat het eeuwen was, namelijk centrum van de wereld.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/knapen