De onveranderlijk brave vakverenigingen

Als ik leden van de vakbond zie, moet ik altijd aan mijn vader denken.

Behalve dat hij samen met de oude Drees de stenografieclub Steeds Sneller oprichtte, dat hij in Davos heeft gekuurd tegen tbc, dat hij meer dan vijftig jaar lang op hetzelfde effectenkantoor werkte, en dat hij Beethoven de grootste componist aller tijden vond, was mijn vader ook nog een overtuigd liberaal. Niet op de manier van de vooroorlogse Liberale Staatspartij natuurlijk (hij zou alle kopstukken van de VVD tot en met Rutte hebben gewantrouwd), maar op de wijze van de Vrijzinnig Democraten. Net als Drees zou hij dit jaar 122 zijn geworden, dus hij leeft niet meer. Maar ik vermoed dat hij na lang nadenken, en met alle reserves die hij in zichzelf kon aanboren, nu in godsnaam toch maar op Pechtold zou stemmen.

En hij had een afkeer van vakbonden. De laatste keer dat hij me serieus raad gaf, was in de jaren vijftig toen ik in verband met een dreigende werkonderbreking overwoog om lid te worden van de Nederlandse Vereniging van Journalisten. „Is dat een vakvereniging?”, vroeg hij, en vervolgde op mijn ja: „Dan zou ik dat niet doen, jongen.”

Hij had een argumentatie die me had moeten tegenstaan, maar ik zag er een kern van waarheid in. Over ons gestelden (hij gebruikte nog vaak het woord ‘patroon’ als hij de baas bedoelde) was zijn redenering, voelden instinctief of een werknemer ijverig en talenvol was. Die moedigden ze dan graag aan met een extraatje, dat altijd een stuk royaler was dan het zure beetje dat de vakbond er uit sleepte als men het bedrijf weer eens ‘plat’ had gelegd. Aan chantage van ondergeschikten had de werkgever een broertje dood.

Ik zag ze van de week weer met hun hesjes voor de ingang staan van de Jaarbeurs, waar de PvdA zou stemmen over het WAO-besluit: de FNV. Ze hadden twee ingangen gemarkeerd. Boven de ene stond 65, boven de andere 67. Dat was al heel ludiek. Wie het gebouw via de 67-deur betrad hoorde luid boe-geroep. Nog veel ludieker was de leuze ‘Trap er niet in!’, die men kracht had bijgezet met wel honderd drollen die op het trottoir waren gedrapeerd. Drollen uit de lachwinkel. Mensen die een lachwinkel frequenteren hebben geen gevoel voor humor. Anders hadden ze zelf wel iets bedacht.

Mijn vader zou verbaasd zijn geweest. Eerst en vooral omdat de vakbond er nog steeds was. De wereld was toch niet zo revolutionair veranderd als hij bij leven en welzijn als vrijzinnig democratische vooruitgangsgelover wel eens had verwacht. En de vakbond, ofschoon van huis uit belust op een geheel nieuwe samenleving, was ook zelf totaal niet veranderd, en nog altijd verslingerd aan enigszins vulgaire, volkse poep- en piestoespelingen.

Niks verandert. Alles wat vroeger al erg was, lijkt soms alleen een beetje erger geworden. Wist u dat de Erasmus Universiteit Rotterdam een leerstoel geluk heeft met een desbetreffende professor? Ik heb toen zeker weer niet opgelet. Maar hij blijkt een Happy Life Years Index bij te houden die is gebaseerd op de elementen levensduur en levensvoldoening, en hij heeft na diepgaand onderzoek – twintig jaar onafgebroken turven, vrees ik – becijferd dat Nederlanders gemiddeld zestig jaar gelukkig zijn.

En ook behoorlijk erg: een Amsterdamse uitgever verzekert dat hij liever ‘met twee betonblokken aan zijn voeten’ in de Sloterplas verdwijnt dan dat hij zou onthullen welk diepgeheim talent Genade heeft geschreven – een boek vol ‘seks vanuit vrouwelijk perspectief’, en vol sleutelromantiek. Een tussendoortje van Connie Palmen? Zo bijzonder dat het al bij voorbaat moet worden bedekt met de mantel der pornografie?

Brave borsten eigenlijk, zou waarschijnlijk ook mijn vader over die ouderwetse FNV’ers hebben gedacht.

Lees eerdere columns van Jan Blokker op nrcnext.nl.